Verder bouwen aan een alternatief voor vervangingsdenken

Door Jeroen Bol

De kerkvaders hebben de kerk destijds met een enorm probleem opgezadeld. Dat hebben ze zich ongetwijfeld niet gerealiseerd toen ze in die eerste eeuwen na Christus hun ‘adversus judaeos’ (‘tegen de joden’) teksten schreven. Zij zijn de architecten geweest van wat tegenwoordig bekend staat als de vervangingstheologie: de idee dat Israël heeft gefaald en dat de kerk sindsdien de plaats van Israël heeft ingenomen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog en de stichting van de staat Israël kort daarna, was deze vervangingsgedachte nagenoeg algemeen: de Kerk is het nieuwe Israël.

Het waren de kerkvaders die vanaf het eind van de eerste eeuw na Christus deze gedachte met hun merkwaardige exegese aangaande Israël vorm hebben gegeven. Zij waren de theologen die vanaf het begin van de tweede eeuw het klassieke christelijke belijden begonnen te formuleren. De vervangingsgedachte zat van meet af aan in het hart van dit belijden, ook al is ze nooit met zoveel woorden in de klassieke geloofsbelijdenissen terecht gekomen. Het is dus niet verwonderlijk dat de vervangingsgedachte diep in het DNA van de christelijke theologische traditie genesteld is geraakt. Wie recente Nederlandse uitgaven over de kerkvaders en de Vroege Kerk inkijkt bemerkt al snel dat hierover met geen woord gerept wordt. Terwijl de ‘adversus judaeos’ (‘tegen de Joden’) literatuur als rode draad door de geschriften van al de kerkvaders loopt, kom je hierover in recente publicaties over de Vroege Kerk niets tegen. Dat is een merkwaardig hiaat. Dit stilzwijgen heeft mogelijk te maken met verlegenheid met de merkwaardige exegese door de kerkvaders van tal van oudtestamentische teksten die Israël betreffen. En mogelijk is er ook sprake van verlegenheid met de ‘wirkungsgeschichte’ van die exegese, wat ze aangericht heeft: eeuwen van Jodenhaat en Joods lijden in christelijk Europa. De Amerikaanse theologe Rosemary Ruether heeft deze exegese van de kerkvaders aangaande Israël grondig geanalyseerd in haar baanbrekende studie ‘Faith and Fratricide’ (1974). Ruether heeft de onhoudbaarheid van deze exegeses aangaande Israël haarscherp bloot gelegd.

Verlegenheid met Israël theologie van de kerkvaders

Maar de verlegenheid met de exegetische kunstgrepen die de kerkvaders hebben toegepast om Israël buiten spel te zetten, valt mogelijk vooral te verklaren uit het feit dat de kerkvaders met hun geschriften het fundament hebben gelegd voor de hele christelijke geloofsleer. Gezien hun onmiskenbaar belangrijke rol in het ontstaan van het christendom valt het moeilijk te verteren dat Ireneaus, Hieronymus, Augustinus en al die andere grote namen zich van meet af aan zo deerlijk vergist hebben waar het de plaats van Israël betreft. Maar dat is dus onmiskenbaar wel het geval. Daarmee heeft de christelijke traditie natuurlijk wel een enorm probleem. Want dan zit er in het fundament reeds sinds het jaar 100 iets heel wezenlijks scheef. Geen wonder dat velen dit hoofdpijndossier liever blijven negeren. Want hoe zetten we dit alles nog recht na 2000 jaar? Dat het probleem niet alleen groot maar ook blijvend urgent is wordt duidelijk wanneer je je realiseert hoe fundamenteel de blijvende centrale plaats van Israël is in Gods heilsplan. God is de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van Israël. Gods verbond met Abraham is onvoorwaardelijk en voor eeuwig (Gen. 17:4-8). Jezus de Messias is een Jood (Op. 5:5, Op. 22:16). De genadegaven en de roeping van Israël door God zijn onberouwelijk (Rom.11:28). Israël zal altijd blijven bestaan (Jer. 31:35-37). En zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Vanzelfsprekendheid vervangingsdenken verdwenen

Gelukkig hebben steeds meer kerkgenootschappen sinds de Holocaust en de wonderbaarlijke terugkeer op het wereldtoneel van een Joodse staat na 2000 jaar publiekelijk afstand genomen van de vervangingsgedachte. De vanzelfsprekendheid ervan is dan ook nagenoeg verdwenen. Spreek je tegenwoordig iemand hierover dan hoor je al heel gauw: ‘nee, ik hang de vervangingsgedachte niet aan, ik ben geen vervangingstheoloog.’ Dat is zonder meer winst. De vervangingsgedachte wordt inderdaad zelden meer met zoveel woorden verkondigd. Maar daarmee zijn we er nog niet, dit is pas een begin. In wat door velen tot een van de beste en belangrijkste boeken over het vervangingsdenken wordt gerekend, ‘The God of Israël and Christian Theology’ (1996), stelt de Amerikaanse systematische theoloog Kendall Soulen dat de vervangingsgedachte haar sporen heeft getrokken in heel het bouwwerk van de christelijke theologie. Denk aan het beeld van een gebouw en het fundament waarop het rust. Als het fundament scheef komt te liggen, staat heel het gebouw scheef. De vervangingsgedachte kan gezien worden als een verzakt fundament. Ze heeft haar stempel gedrukt op tal van aspecten van de theologie. De vervangingsgedachte heeft overal haar sporen achter gelaten en veelvuldig disbalans heeft veroorzaakt. Het schokeffect van de bijna volledige vernietiging van het Joodse volk in de Tweede Wereldoorlog en de wonderbaarlijke verrijzenis uit de as van een Joodse staat drie jaar na deze genocide, hebben een grondige restauratie van het hele bouwwerk van de christelijke theologie onontkoombaar noodzakelijk gemaakt. Het oude verhaal gaat niet meer op, het vervangingsdenken is failliet gebleken. Met deze restauratie is intussen een aanvang gemaakt, maar ze is nog lang niet voltooid.

De diverse verklaringen van een fors aantal kerkgenootschappen waarin inmiddels afstand is genomen van de vervangingsgedachte, zijn dan ook geen eindpunt. Maar ze vormen wel een belangrijk begin. De Engelse theoloog James Parkes, een van de allereerste pioniers op dit terrein en vooral bekend van zijn baanbrekende studie ‘The Conflict of the Church and the Synagogue’ (1934), was van mening dat deze verbouwing 300 jaar nodig gaat hebben. Hoe dan ook, zeker is dat de klus niet binnen een of twee generaties geklaard zal zijn. De vervangingsgedachte mag dan nog maar zelden frank en vrij verkondigd worden maar wat Kendall Soulen ergens zo treffend ‘Israël forgetfulness’ noemt is nog steeds aan de orde van de dag. ‘Israël forgetfulness’ staat voor het over het hoofd zien van Israël / het ‘vergeten’ van het Joodse volk in tal van preken, christelijke publicaties en wat dies meer zij. Hoe vaak niet worden bijvoorbeeld heilsbeloften uit het Oude Testament zonder meer op nieuwtestamentische gelovigen toegepast. En dat dan zonder te noemen dat de eerste geadresseerde het Joodse volk niet alleen was, maar ook nog steeds is. En wanneer Israël al genoemd wordt, dan is het bijna altijd Israël toen en zelden het Joodse volk nu. Veel predikanten weten nog steeds niet goed wat ze met Israël aan moeten. Helemaal niet noemen is de route die dan vaak maar genomen wordt. Op deze manier wordt het Oude Testament nog steeds met het grootste gemak ‘christelijk geannexeerd’.

Voorbij het vervangingsdenken

Waar staan we nu anno 2020? Hoe staat het met het ontwikkelen van een nieuwe Bijbels verantwoorde theologie die werkelijk gevrijwaard is van vervangingsdenken? Een van de grote uitdagingen is om nieuwtestamentische teksten als onder meer de Galatenbrief, de Hebreënbrief en Filippenzen 3 anders te leren verstaan. Dit zijn bij uitstek teksten die eeuwenlang steevast zijn uitgelegd als zouden ze de vervangingsgedachte leren: ‘het jodendom heeft afgedaan, met het evangelie van Jezus is iets volkomen nieuws begonnen’ enzovoort. Het is nog steeds een minderheid van theologen die hun beste krachten geven aan exegese en theologie die het vervangingsdenken voorbij is. Maar het is wel een minderheid die steeds meer van zich laat horen. Ik oriënteer me vooral op het Engelse taalgebied maar ben me ervan bewust dat ook in het Duitse taalgebied het nodige gebeurt op dit gebied.1 Bijna altijd gaat het om theologen die zich in het jodendom verdiepen en die vaak ook zelf contacten met joodse denkers hebben. Wat je veel ziet is dat men in het Nieuwe Testament, wat natuurlijk zelf een joods geschrift is, belangrijke nieuwe dingen ontdekt die lang over het hoofd zijn gezien. De laatste jaren wordt ook de input van messiaans-joodse theologen als Mark Kinzer en David Rudolph steeds belangrijker. 2 Het is de kruisbestuiving over en weer van joodse en christelijke theologen die met name de laatste jaren voor veelbelovende doorbraken in de exegese van het Nieuwe Testament zorgen. ‘Post-supersessionist theologie’ is een nieuwe term die steeds meer ingeburgerd begint te raken in kringen van theologen die met dit bijltje hakken. 3 Supersessionism’ is de wetenschappelijke term voor vervangingsdenken die in Engelstalige theologie gangbaar is geraakt. ‘Post-supersessionism’ is de Engelse benaming voor een zich ontwikkelende nieuwe theologie die het vervangingsdenken voorbij (‘post’) is. J. Brian Tucker schrijft er het volgende over: “post-supersessionism beaamt Gods onherroepelijke verbond met het Joodse volk als een centraal en samenhangend deel van kerkelijk onderricht. Post-supersessionism wijst opvattingen over het Nieuwe Verbond die de opheffing of het verouderd zijn van Gods verbond met het Joodse volk behelzen, af. Net zo verwerpt ze opvattingen die leren dat de Thora als blijvende afbakening van de identiteit van de Joodse gemeenschap niet meer van kracht zou zijn.” 4

Een bijzonder veelbelovend nieuw initiatief is de in 2017 gestarte reeks New Testament After Supersessionism (Nieuw Testament na vervangingsdenken). 5 Deze reeks voorziet in de hierboven genoemde behoefte om nieuwtestamentische teksten, die eeuwenlang in stelling zijn gebracht om de vervangingsgedachte te staven, anders te leren lezen en verklaren. Er zijn in deze reeks tot nu toe drie commentaren verschenen, een over Romeinen, een over Filippenzen en een over Efeze en Colossenzen. Een van de drie redacteuren van de reeks is de eerder genoemde Messiaans Joodse theoloog David Rudolph. Rudolph behoort naast Mark Kinzer tot de belangrijkste en meest productieve Messiaans Joodse theologen van dit moment. Hij promoveerde in 2007 aan Cambridge University. Voor zijn proefschrift ‘A Jew to the Jews: Jewish Contours of Pauline Flexibility in 1 Corinthians 9:19-23’ ontving hij de Franz Delitszch Prijs van de Freie Theologische Akademie in Giessen, Duitsland. Hij is directeur van de Messiaans Joodse Studies aan The King’s University in Dallas Texas en is daar tevens hoogleraar Nieuwe Testament en Joodse Studies 6 Rudolph maakt tevens deel uit van de stuurgroep van de in 2017 opgerichte Society for Post-Supersessionist Theology.

Zeer de moeite waard is ook de Journal of the Jesus Movement in its Jewish Settting. De website www.jjmjs.org bevat een schat aan peer reviewed artikelen en is vrij toegankelijk voor geïnteresseerden.

Belangrijke nieuwe boeken

In het grote Engelse taalgebied verschijnen voortdurend nieuwe boeken over deze onderwerpen. Ik licht er drie uit. In 2016 verscheen ‘The New Christian Zionism: fresh perspectives on Israël & the land’. Het boek is samengesteld en geredigeerd door Gerald R. McDermott. Het bevat twaalf essays van tien verschillende christelijke en messiaans-joodse theologen, onder wie Mark Kinzer en David Rudolph, plus een voortreffelijke inleiding door Gerald McDermott zelf. Onderwerpen die aan de orde komen zijn onder meer zionisme in het Mattheüs evangelie, zionisme in Lukas-Handelingen en zionisme in de geschriften van de apostel Paulus. Wie zijn visie op christelijk zionisme verder wil verdiepen zal in dit boek veel van zijn gading vinden.

Dan verscheen van de hand van William S. Campbell in 2018 een uitzonderlijk waardevolle en bovendien goed leesbare studie over de apostel Paulus in relatie tot Israël en de volken. De titel luidt ‘The nations in the divine economy: Paul’s covenantal hermeneutics and participation in Christ’. Campbell heeft decennia lang Bijbelse theologie gedoceerd aan onder meer de Universiteit van Wales. Hij heeft tal van publicaties op zijn naam staan over de sociale en historische context van de brieven van Paulus en identiteitsvorming in het vroege jodendom en het vroege christendom. Campbell is heel zijn werkzame leven als theoloog intensief met Paulus bezig geweest. Hij is zeer goed op de hoogte van wat in de loop der jaren door theologen over Paulus is gepubliceerd. Hij is altijd overtuigd geweest van de blijvende centrale plaats van Israël en een scherp criticus van het vervangingsdenken. Campbell beheerst de hele thematiek als weinig anderen. Het boek van ruim 400 pagina’s biedt een schat aan belangrijke waardevolle inzichten.

Eveneens in 2018 verscheen het lang verwachte werk van Mark Kinzer over Israël-christologie, ‘Jerusalem Crucified, Jerusalem Risen: the Resurrected Messiah, the Jewish People, and the Land of Promise’. Kinzer heeft er ruim zeven jaar aan gewerkt. In het boek besteedt hij ook regelmatig aandacht aan de theologie van N.T. (Tom) Wright die hij zowel prijst als onder kritiek stelt. Darrell Bock van Dallas Theological Seminary schrijft het volgende over dit nieuwste boek van Kinzer: “Dit is een fascinerend boek. Kinzer houdt een sterk pleidooi dat Israël een dermate centrale plaats inneemt in de boodschap van het evangelie zelf, dat het verwijderen van die plaats en de hoop die ermee verband houdt, in ernstige mate verwatert waar het in het evangelie om draait.” Gerald McDermott schrijft: “Lezers van dit boek zullen gezichtspunten over Jezus en de vroege kerk ontdekken die de hele bekende christelijke theologie in een nieuw licht doet staan.” Gavin D’Costa van de Universiteit van Bristol zegt het volgende: “Dit werk van Kinzer is baanbrekend. Hij focust met name op Lucas en Handelingen om aan te tonen dat Jeruzalem toen, nu en in de toekomst een centrale plaats inneemt voor de hoop van de Joodse Messias, Jezus – en dus voor zijn Lichaam dat de gemeente is, zowel voor het Joodse deel als voor de gelovigen uit de volken. Het Goede Nieuws is geografisch. Kinzer ontwikkelt een nieuwe vorm van zionisme waarin Christus een centrale plaats inneemt.”

Ik hoop zo een indruk te hebben gegeven van post-supersessionist theologie die naar meer doet smaken. Post-supersessionism is een fascinerende nieuwe ontwikkeling van waaruit veel theologisch materiaal wordt aangereikt om op verantwoorde en bedachtzame wijze verder te kunnen bouwen aan een christendom zonder vervangingsdenken. Het is te hopen dat deze theologie ook zijn weg zal gaan vinden naar de verschillende theologie-opleidingen in ons taalgebied.

 

1  Hier moet zeker de productieve belangrijke Duitse theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt (1926-2002) genoemd worden.

2  Mark Kinzer behoort tot de belangrijkste Messiaans Joodse theologen van dit moment. Sinds 2005 verschenen vier boeken van zijn hand die stuk voor stuk een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het verder ontwikkelen van een volwaardige nieuwtestamentische theologie zonder vervangingsdenken. Zie voor meer over Mark Kinzer zijn website www.markkinzer.com

3  Zie de website van de in 2017 opgerichte Society for Post-Supersessionist Theology www.post-supersessionism.com

4  Tucker, Brian, Reading Romans after supersessionism: the continuation of Jewish Covenantal Identity, Series Preface, pag. II, Eugene, Oregon, Cascade Books, 2018,

5  Uitgegeven door Cascade Books / Wipf and Stock Publishers. De volgende drie titels zijn tot nu toe verschenen: Reading Romans after supersessionism: the continuation of Jewish Covenantal Identity, Reading Ephesians & Colossians after supersessionism: Christ’s Mission through Israel to the Nations en Reading Philippians after supersessionism: Jews, Gentiles and Covenant Identity.

6  Zie voor meer informatie over David Rudolph en Messiaans Joodse studies www.tku.edu/faculty/dr-david-rudolph/. Zie ook MJStudies, A Gateway to Post-Supersessionist New Testament Scholarship, www.mjstudies.com

 



Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet: Israël in het hart van de Kerk, Jezus in het hart van Israël

Door Jeroen Bol

Wie kent niet dat oude kinderspelletje waar je niets voor nodig hebt behalve ten minste een werkend oog: ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. Ik heb geen idee of het tegenwoordig nog vaak gespeeld wordt maar wij deden het vroeger thuis regelmatig. Ik moest hier onlangs aan denken naar aanleiding van de titel en de ondertitel van het boek dat in maart verscheen, ‘Israël in het hart van de Kerk’. De ondertitel luidt ‘Jezus in het hart van Israël’. Het boek is een gezamenlijk uitgave van de Jules Isaac Stichting en Uitgeverij Scholten. Het bevat, naast meer, de vijf lezingen die de messiaans-joodse theoloog Dr. Mark S. Kinzer in het najaar van 2015 in Nederland gaf. De lezingen maakten destijds zo veel indruk dat we besloten dat ze in Nederlandse vertaling beschikbaar moesten komen. De titel en ondertitel zijn in nauw overleg met Mark Kinzer gekozen, ze raken de kern van zijn theologisch denken over Israël en de Kerk. Israël en de Kerk zijn volgens Kinzer in Jezus, de Messias van Israël, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat je de metafoor van het hart met recht kunt gebruiken: ‘Israël in het hart van de Kerk’ . En Jezus, of Jesjoea, is volgens Kinzer zo nauw verbonden met het het Joodse volk van alle tijden dat je diezelfde metafoor ook op Israël kunt toepassen: ‘Jezus in het hart van Israël’. In de vier boeken die sinds 2005 van zijn hand verschenen zet hij de exegetische en theologische argumenten hiervoor op indrukwekkend zorgvuldige wijze uiteen.1 Het meest grondig doet Kinzer dit in zijn laatste in 2018 verschenen boek ‘Jerusalem Crucified, Jerusalem Risen’ The Resurrected Messiah, the Jewish People, and the Land of Promise.

Terug naar dat kinderspelletje ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ . Onlangs realiseerde ik me voor het eerst dat de titel van het boek ‘Israël in het hart van de Kerk, Jezus in het hart van Israël’ precies dat uitdrukt wat de Kerk en de Synagoge eeuwenlang juist helemaal niet zagen. De Kerk zag zichzelf in de lijn van het vervangingsdenken als het nieuwe, het ‘geestelijk Israël’. De idee van ‘Israël in het hart van de Kerk’ slaat dan vanzelfsprekend nergens op. Want de Kerk is immers Israël. En het Jodendom associeerde Jezus uitsluitend met de Kerk, met Israël had de christelijke Jezus volgens het jodendom weinig tot niets van doen. Hij kon in de ogen van de Joden in ieder geval niet de Messias zijn. Dus ‘Jezus in het hart van Israël’ klinkt in veel Joodse oren nog steeds als een vreemde uitspraak waar men zich weinig bij kan voorstellen. Net zo klinkt ‘Israël in het hart van de Kerk’ nog steeds vreemd in het oor van menig christen.

Maar waarom dan deze titel gekozen? En hoe kan het dat juist deze titel de kern van het denken van de Messiaans-Joodse theoloog Mark Kinzer raakt? Dat heeft alles te maken met het gezichtspunt van waaruit Mark Kinzer naar de Schrift en naar de geschiedenis kijkt. Dat is het gezichtspunt van een Jood die Jezus als de Messias belijdt, of zoals hij zichzelf noemt: een ‘Messianic Jew’. Hij kijkt dus met de ogen van een Jood en met de ogen van iemand die Jezus, Jesjoea, als de Messias erkent. Dit gezichtspunt is in zekere zin allesbepalend. Natuurlijk komt hierbij dat Kinzer ook als een goed geïnformeerd theoloog naar Schrift en geschiedenis kijkt. Maar het eerstgenoemde, zijn ‘sitz im leben’ als Messiaanse Jood, die is doorslaggevend voor wat hij zegt te zien: ‘Israël in het hart van de Kerk’ en ‘Jezus in het hart van Israël’. Bij mijn weten is Mark Kinzer de eerste die deze twee concepten zo grondig en zo overtuigend exegetisch en theologisch heeft weten te onderbouwen. En ze met elkaar heeft weten te verbinden. Noem het gerust een ‘paradigmawisseling.’ Een paradigma staat voor het gezichtspunt van waaruit iemand de werkelijkheid beschouwt. Paradigma’s zijn per definitie enorm invloedrijk. Doorgaans ben je je helemaal niet bewust van het paradigma dat je kijk op de dingen bepaalt. Eeuwenlang heeft de Kerk bepaald hoe christenen tegen Israël horen aan te kijken, zonder ook maar enige twijfel aan haar standpunt dat de Kerk de plaats van Israël zou hebben ingenomen. En net zo stond het Joodse standpunt eeuwenlang onwrikbaar vast, en bepaalde het hoe je als Jood tegen de ‘Jezus van de christenen’ aankeek: deze kon onmogelijk de Messias van Israël zijn.

Het gezichtspunt van een theologisch grondig geïnformeerde messiaans-joodse theoloog was vele eeuwenlang een onmogelijkheid. Het kon eenvoudig niet bestaan omdat zowel in de Kerk als in het Jodendom geen enkele ruimte bestond om tegelijk Jood te zijn en Jezus als Messias te belijden. Het was een van de weinige dingen waarover Kerk en Synagoge het wél eens waren: je was of Jood of Christen. Beide identiteiten combineren, dat was onmogelijk. Pas sinds de 19e eeuw is dit langzaam gaan kantelen en vooral sinds de jaren zestig van de afgelopen eeuw is het aantal Messiaanse Joden sterk aan het toenemen. We leven intussen in een tijd dat de Kerk en de Synagoge niet meer de macht en mogelijkheid hebben om zoiets als Messiaans Jodendom effectief te verbieden. Er is ruimte voor iets nieuws dat eigenlijk heel oud is.

De Kerk begon ooit als een beweging van Joden die Jezus als de Messias beleden. Deze Joden schreven praktisch het hele Nieuwe Testament. Maar toen de Kerk in de tweede eeuw begon te leren dat zij nu het nieuwe Israël was, werden deze zelfde Joden binnen de Vroege Kerk door de niet-Joodse meerderheid steeds meer in de hoek gedrongen. Voor messiaans-joods leven bestond al vroeg in de geschiedenis van de Kerk geen ruimte meer. 2 We leven intussen in een andere tijd. Het messiaans-jodendom is zich in onze dagen steeds meer aan het profileren. Mark Kinzer is hier een goed voorbeeld van. Met zijn 68 jaar is hij intussen de mentor van een groeiende groep jongere messiaans-joodse theologen van wie er steeds meer promoveren en geleidelijk aan ook leerstoelen gaan bekleden. Het is zonder meer een heel bijzondere ontwikkeling die zich in onze dagen afspeelt. Zo verovert messiaans-jodendom langzamerhand haar plaats binnen de wereld van de theologie. Het recente debat dat Mark Kinzer 11 september 2019 had met de bekende Engelse theoloog N.T. (Tom) Wright is hier een treffend voorbeeld van. 3

Terug naar het boek ‘Israël in het hart van de Kerk’. Het is zonder meer fascinerend te zien hoe in deze vijf lezingen de puzzelstukken ineens in elkaar blijken te passen. De puzzel hoe Israël, Jezus en de Kerk zich nu eigenlijk tot elkaar verhouden in het licht van de Schrift. Was Jezus eeuwenlang degene die christendom en jodendom verdeelde, in Kinzers lezing van de Bijbel is Jezus juist degene die Kerk en Israël verbindt. Jezus is zowel de Messias-Koning van Israël en Hij is het Hoofd van zijn Lichaam, de Gemeente van Christus. De argumenten die deze messiaans-joodse theoloog hiervoor aandraagt zijn zonder meer indrukwekkend. Ik besluit dit korte artikel met twee aanbevelingen van Nederlandse theologen. De eerste komt van Arnold Huijgen, hoogleraar systematische theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn: “Mark Kinzer biedt de hoogste kwaliteit die er te vinden is in de bezinning op de plaats van Israël en de kerk. Dit boek plaatst Israël terecht in het hart van de kerk. Christenen zijn Kinzer veel dank verschuldigd.” De tweede aanbeveling is van Dineke Houtman, bijzonder hoogleraar Jodendom en Joods-christelijke relaties aan de Protestantse Theologische Universiteit: “In een tijd waarin de discussie over de zogenoemde “onopgeefbare verbondenheid” weer oplaait is het belangrijk te blijven onderzoeken wat de Bijbel zegt over de relatie tussen Jodendom en christendom. Dit boek laat zien dat die relatie dieper gaat dan we lang geneigd waren te denken.”

 

1  Kinzer, Mark S., Postmissionary Messianic Judaism: Redefining Christian Engagement with the Jewish People, Brazos Press, Grand Rapids, Michigan, 2005.

Kinzer, Mark S., Jennifer M. Rosner, editor, Israel’s Messiah and the People of God: A Vision for Messianic Jewish Covenant Theology, Cascade Books, Eugene, Oregon, 2011.

Kinzer, Mark S., Searching Her Own Mystery: Nostra Aetate, the Jewish People, and the identity of the Church, Cascade Books, Eugene, Oregon, 2015.

Kinzer, Mark S., Jerusalem Crucified, Jerusalem Risen: The Resurrected Messiah, the Jewish People, and the Land of Promise, Cascade Books, Eugene, Oregon, 2018.

2  Zie hoofdstuk 7 in ‘Israël in het hart van de Kerk’ : ‘Twintig eeuwen Messiaans Jodendom in vogelvlucht’

3  Het volledige debat is te beluisteren op youtube: https://youtu.be/qIBt64m-Py4

 



Antisemitisme anno 2018

Door Bjorn Lous

Eind november verschenen twee grote onderzoeken naar antisemitisme in Europa, die uitgebreide media-aandacht kregen. Het eerste was uitgevoerd in opdracht van CNN en bracht het voorkomen van antisemitische gevoelens in kaart voor zeven Europese landen. Dezelfde week bracht EenVandaag een onderzoek naar buiten over antisemitisme in Nederland. De resultaten zijn schokkend, en zouden wat de Jules Isaac Stichting betreft de beschouwd moeten worden als een alarmroep richting de (Nederlandse) kerken.

Een eerste opvallend resultaat van het CNN-onderzoek is dat een derde van alle Europeanen aangeeft weinig tot niets te weten over de Shoah. 5% van hen die aan het onderzoek deelnamen heeft zelfs nog nooit gehoord van de Shoah. Een op de vijf Fransen in de leeftijdscategorie van 18 tot 34 geeft te kennen nooit van de Shoah gehoord te hebben, terwijl in Oostenrijk 12% van de jonge mensen er niets af van weet. 40% van alle Oostenrijkers zegt weinig over de Shoah te weten. Een op de drie Europeanen denkt bovendien dat de Joden de Shoah gebruiken om hun eigen doelen te realiseren, bijvoorbeeld om het beleid van de staat Israël jegens de Palestijnen te rechtvaardigen. Eenzelfde percentage vindt dat het herdenken van de Shoah afleidt van hedendaagse gruwelijkheden. Als het gaat om de oorzaken van het antisemitisme wijst 28% op de staat Israël, en 18% stelt dat het het gevolg is van hoe Joden zich gedragen in het dagelijks leven. Slechts 54% vindt dat de staat Israël bestaansrecht heeft, maar een overgrote meerderheid zegt dat ze geen negatief beeld hebben van de Joden. Toch denkt een derde dat Joden teveel politieke en economische invloed hebben. Ook hun getalsmatig aandeel in de bevolking wordt schromelijk overschat. 40 % zegt dat Joden in hun land gevaar lopen dat hen geweld wordt aangedaan, de helft van alle Europeanen zegt dat hun regeringen meer moeten doen om antisemitisme te bestrijden.

Lees meer


Christendom zonder antisemitisme: welke aanpassingen zijn nodig in het onderwijs over de Joden?

Tijdens de oorlog heeft Jules Isaac, terwijl hij met zijn vrouw moest onderduiken voor de Nazi’s, uitgebreid onderzoek gedaan naar de wortels van het antisemitisme in Europa. Hij kwam tot de conclusie dat het antijudaisme in de christelijke theologische traditie, en de verwerking hiervan in talloze catechesematerialen en liturgische teksten, in grote mate heeft bijgedragen aan het bevorderen en acceptabel maken van antisemitische denkbeelden. In zijn bestudering van de grondtekst van de Nieuw-Testamentische geschriften meende Isaac echter geen ondersteuning te vinden voor deze denkbeelden. Om af te rekenen met het christelijke antisemitisme deed hij 18 voorstellen om de christelijke theologie te helpen zich hiervan te ontdoen, en beter in overeenstemming te brengen met het Nieuwe Testament. In 1947 vormden deze 18 voorstellen het uitgangspunt van de discussie op de grote interkerkelijke conferentie in Seelisberg. Deze conferentie had tot doel om tot een adequate bestrijding van het antisemitisme te komen, en om een aanzet te geven tot verzoening tussen Joden en Christenen. Hieronder vind je de Engelse vertaling van de volledige tekst van de voorstellen van Jules Isaac, die ook vandaag de dag nog belangrijk en relevant zijn.

“The rectification necessary in Christian teaching: eighteen points“The rectification necessary in Christian teaching: eighteen points”

 

By Jules Isaac

From his magnum opus ‘Jesus and Israel’.

Christian teaching worthy of the name should

1. give all Christians at least an elementary knowledge of the Old Testament; stress the fact that the Old Testament, essentially Semitic – in form and substance – was the Holy Scripture of the Jews before becoming the Holy Scripture of Christians;

2. recall that a large part of Christian liturgy is borrowed from it, and that the Old Testament, the work of Jewish genius (enlightened by God), has been to our own day a perennial source of inspiration to Christian thought, literature and art;

3. take care not to pass over the singularly important fact that it was to the Jewish people, chosen by Him, that God first revealed Himself in His omnipotence; that it was the Jewish people who safeguarded the fundamental belief in God, then transmitted it to the Christian world;

4. acknowledge and state openly, taking inspiration from the most reliable historical research, that Christianity was born of a living, not a degenerate Judaism, as is proved by the richness of Jewish literature, Judaism’s indomitable resistance to paganism, the spiritualization of worship in the synagogues, the spread of proselytism, the multiplicity of religious sects and trends, the broadening of beliefs; take care not to draw a simple caricature of historic Phariseeism;

5. take into account the fact that history flatly contradicts the theological myth of the Dispersion as providential punishment for the Crucifixion, since the Dispersion of the Jewish people was an accomplished fact in Jesus’ time and since in that era, according to all the evidence, the majority of the Jewish people were no longer living in Palestine; even after the two great Judean wars (first and second centuries), there was no dispersion of the Jews of Palestine;

6. warn the faithful against certain stylistic tendencies in the Gospels, notably the frequent use in the fourth Gospel of the collective term “the Jews” in a restricted and pejorative sense – to mean Jesus’ enemies: chief priests, scribes, and Pharisees – a procedure that results not only in distorting historic perspectives but in inspiring horror and contempt of the Jewish people as a whole, whereas in reality this people is in no way involved;

7. state very explicitly, so that no Christian is ignorant of it, that Jesus was Jewish, of an old Jewish family, that he was circumcised (according to Jewish Law) eight days after his birth; that the name Jesus is a Jewish name, Yeshua, Hellenized and Christ the Greek equivalent of the Jewish term Messiah; that Jesus spoke a Semitic language, Aramaic, like all the Jews of Palestine; and that unless one reads the Gospels in their earliest text, which is in the Greek language, one knows the Word only through a translation of a translation;

8. acknowledge – with Scripture – that Jesus “born under the [Jewish] law” (Gal. 4:4), lived “under the law”; that he did not stop practicing Judaism’s basic rites to the last day; that he did not stop preaching his Gospel in the synagogues and the Temple to the last day;

9. not fail to observe that during his human life, Jesus was uniquely “a servant to the circumcised” (Rom. 15:8); it was in Israel alone that he recruited his disciples; all the Apostles were Jews like their master;

10. show clearly from the Gospel texts that to the last day, except on rare occasions, Jesus did not stop obtaining the enthusiastic sympathies of the Jewish masses, in Jerusalem as well as in Galilee;

11. take care not to assert that Jesus was personally rejected by the Jewish people, that they refused to recognize him as Messiah and God, for the two reasons that the majority of the Jewish people did not even know him and that Jesus never presented himself as such explicitly and publicly to the segment of the people who did know him; acknowledge that in all likelihood the messianic character of the entry into Jerusalem on the eve of the Passion could have been perceived by only a small number;

12. take care not to assert that Jesus was at the very least rejected by the qualified leaders and representatives of the Jewish people; those who had him arrested and sentenced, the chief priests, were representatives of a narrow oligarchic caste, subjugated to Rome and detested by the people; as for the doctors and Pharisees, it emerges from the evangelical texts themselves that they were not unanimously against Jesus; nothing proves that the spiritual elite of Judaism was involved in the plot;

13. take care not to strain the texts to find in them a universal reprobation of Israel or a curse which is nowhere explicitly expressed in the Gospels; take into account the fact that Jesus always showed feelings of compassion and love for the masses;

14. take care above all not to make the current and traditional assertion that the Jewish people committed the inexpiable crime of decide, and that they took total responsibility on themselves as a whole; take care to avoid such an assertion not only because it is poisonous, generating hatred and crime, but also because it is radically false;

15. highlight the fact, emphasized in the four Gospels, that the chief priests and their accomplices acted against Jesus unbeknownst to the people and even in fear of the people;

16. concerning the Jewish trial of Jesus, acknowledge that the Jewish people were in no way involved in it, played no role in it, probably knew nothing about it; that the insults and brutalities attributed to them were the acts of the police or of some members of the oligarchy; that there is no mention of a Jewish trial, of a meeting of the Sanhedrin in the fourth Gospel;

17. concerning the Roman trial, acknowledge that the procurator Pontius Pilate had entire command over Jesus’ life and death; that Jesus was condemned for messianic pretensions, which was a crime in the eyes of the Romans, not the Jews: that hanging on the cross was a specifically Roman punishment; take care not to impute to the Jewish people the crowning with thorns, which in the Gospel accounts was a cruel jest of the Roman soldiery; take care not to identify the mob whipped up by the chief priests with the whole of the Jewish people or even the Jewish people of Palestine, whose anti-Roman sentiments are beyond doubt; note that the fourth Gospel implicates exclusively the chief priests and their men;

18. last not forget that the monstrous cry, “His blood be on us and on our children!” (Mt. 27:25), could not prevail over the Word, “Father, forgive them; for they know not what they do” (Lk. 23:34).

These eighteen points have in fact served as a basis of discussion for a (Christian) commission, the Third Commission of the International Emergency Conference of Christians and Jews at Seelisberg, Switzerland, in August 1947. From these deliberations emanated the important document known under the title of the Ten Points of Seelisberg.”

Source: ‘Jesus and Israel’, edited by Claire Huchet Bishop, Holt Rinehart and Winston publishers, 1971. (Original ‘Jésus et Israel’, Fasquelle Éditeurs Paris, 1959)


Toespraak, gehouden tijdens de dodenherdenking bij het Joods monument

(bij het Raoul Wallenbergplein in Alphen aan den Rijn, 4 mei 2018)

Door: Jeroen Bol,  voorzitter van de Jules Isaac Stichting

Vanavond herdenken we de 55 Alphense Joden die door de Duitse bezetter zijn weggevoerd en vervolgens in de vernietigingskampen vermoord. En ook herdenken we de overige Alphense Joden die de oorlog niet hebben overleefd. Er zijn vele redenen om altijd te blijven gedenken en nooit te vergeten. Een daarvan is dat het ons kan motiveren te doen wat in onze macht ligt, om te voorkomen dat zoiets ooit nog een keer gebeuren kan.

Lees meer


Over Nostra Aetate

Door J. Bol

De Frans-Joodse historicus Jules Isaac heeft vanaf 1943 de laatste twintig jaar van zijn leven gewijd aan onderzoek hoe de vernietiging van de joden met zo’n gemak heeft kunnen plaatsvinden. Zijn conclusie was even duidelijk als pijnlijk: het christendom heeft eeuwenlang anti-Joodse denkbeelden voorzien van een theologisch fundament en er zo kerkelijk gezag aan verleend. Dit heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het ontstaan van een voedingsbodem voor de anti-Joodse politiek van de Nazi’s. Het werk van Jules Isaac resulteerde in 1965 tijdens het Tweede Vaticaans Concilie in de historische verklaring Nostra Aetate. Daarmee verwierp de Rooms Katholieke Kerk achttien eeuwen anti-Joodse theologie. Deze ommekeer werd gevolgd door tal van verklaringen waarin steeds meer kerken afstand namen van christelijk triomfalisme richting het jodendom. Denk onder meer aan de kerkorde van de PKN waarin wordt gesproken over de onopgeefbare verbondenheid van de kerk met het Joodse volk. Lees meer


Huidig Israël in de theologie van N.T. Wright

Door: Jeroen Bol

De Engelse anglicaanse theoloog Tom Wright is een van de belangrijkste nieuwtestamentici van dit moment. Hij geniet intussen ook in ons land grote bekendheid. Tot nu toe is in ons land nog maar weinig aandacht gegeven aan de plaats die Wright in zijn theologie aan Israël toekent. Tom Wright (1948) is in staat gebleken om zijn rijke theologische inzichten niet alleen voor collega theologen op papier te zetten, hij weet ze tevens voor een breed publiek toegankelijk te maken. Die combinatie, samen met zijn enorme kennis van de 20e eeuwse theologie, maakt hem tot een van de meest invloedrijke theologen van het moment. Tientallen boeken zijn intussen van zijn hand verschenen. In Nederland spreekt Wright met name de jongere generatie predikanten aan. Niet in het minst omdat hij cruciale elementen van het christelijke geloof zoals de goddelijke natuur van Jezus, Jezus’ opstanding en de betrouwbaarheid van het Oude en Nieuwe Testament met verve overeind houdt. Daarnaast slaagt Wright erin om de betekenis van het evangelie voor alle facetten van het leven op frisse en overtuigende wijze voor het voetlicht te brengen. Ook voor het maatschappelijk leven dus, denk onder meer aan politiek en economie. Tom Wright besteedt dus veel aandacht aan de relevantie van het evangelie voor het héle leven. Dat spreekt met name veel jongere predikanten en theologen aan. Het inspireert en helpt hen aan nieuwe argumenten om in het huidige gure klimaat van voortgaande secularisatie de onvervreemdbare blijvende geldigheid van het evangelie en de betrouwbaarheid ervan opnieuw fris te kunnen verwoorden. Dat is voorwaar geen geringe verdienste. In 2014 organiseerde de Confessionele Vereniging een druk bezochte predikantenconferentie met Tom Wright die in de christelijke pers veel aandacht trok.

Lees meer


Over de noodzaak van een nieuwe reformatie

Door: Jeroen Bol

In twee eerdere artikelen (september 2016 en maart 2017) stond ik stil bij het vraagstuk van de blindheid van een groot deel van de kerk voor de blijvende positie van Israël als verbondsvolk van God. Hoe heeft die kunnen ontstaan, en vooral: hoe kan het dat die blindheid ruim 1800 jaar nagenoeg algemeen is geweest? Hoewel die blindheid sinds de Holocaust en het ontstaan van de staat Israël zeker is afgenomen, kunnen we helaas nog niet zeggen dat heel de christenheid het intussen wel scherp ziet. Zoals al vaak opgemerkt, 1900 jaar vervangingsdenken laat zich niet in een of twee generaties genezen. Daar gaat echt meer tijd overheen. Mijn artikel in het maartnummer van Israël en de Kerk droeg de titel ‘Bekering tot de God van Israël’. Vanuit de redactie kreeg ik de vraag om in een derde artikel in te gaan op de vraag wat zou kunnen bijdragen aan die bekering van christenen. Voor ik van wal steek toch even een beknopte omschrijving van wat ik dan wel versta onder ‘bekering tot de God van Israël’. Ik versta daaronder erkenning van het feit dat de God die wij als christenen belijden tevens de God van Israël en het hedendaagse Jodendom is.

Dat de verbonden die God met de aartsvaders Abraham, Isaac en Jakob en met David sloot alle nog volledig van kracht zijn voor het Joodse volk van nu. En dat geen van de beloften aan Israël, die in deze verbonden vervat zijn, ooit is herroepen (Rom. 9:4-5 en Rom. 11:28-29). Met andere woorden: bekering tot de God van Israël is synoniem met radicaal afstand doen van iedere gedachte dat de kerk de plaats van Israël heeft ingenomen. Het Joodse volk heeft ook na Christus zijn status als volk van God behouden, naast de kerk. Bekering tot de God van Israël gaat tevens gepaard met erkenning van het lijden dat de Joden eeuwenlang door christenen is aangedaan. Erkenning ook dat dit zonde geweest is. Zonde tegen de Joodse medemens en zonde tegen de God van Israël.

Lees meer


Bekering tot de God van Israël

Door: Jeroen Bol

“De bekering die de kerk nodig heeft zal haar gegeven moeten worden van Godswege. Alleen God kan de bedekking en de verharding wegnemen.” Dit waren zo’n beetje de laatste woorden in mijn artikel ‘Geen plaats voor hoogmoed’ dat afgelopen jaar verscheen in het septembernummer van dit tijdschrift. Ik had verwacht dat het artikel wel voor enige discussie zou gaan zorgen. Afgezien van een aantal instemmende reacties bleef het echter verder stil. Dat heeft me toch wel enigszins verbaasd. Want het is nogal wat wat ik daar beweerde, dat het niet-Joodse deel van de christelijke kerk vanaf het begin van de tweede eeuw onder een oordeel van God zou zijn gevallen vanwege hoogmoed ten opzichte van de Joden. Dat oordeel bestond uit een gedeeltelijke verharding van de kerk van Godswege, zo concludeerde ik op basis van een bij mijn weten nog niet eerder gedane exegese van Romeinen 11:21 en 22. Een verharding die maakte dat de kerk niet langer bij machte was om Gods openbaring ten aanzien van Israël te verstaan. Volgens de exegese die ik in dat artikel voorstel is de kerk vanwege hoogmoed ten opzichte van de Joden door God nagenoeg blind gemaakt voor de verbondstatus van Israël. Het is dus niet in de eerste plaats onwil die maakte dat de kerk eeuwenlang geen oog heeft gehad voor de status die Israël bij God heeft, het is veeleer onvermogen. En dan wel een door God bewerkt onvermogen. Voor de onderbouwing van mijn exegese verwijs ik naar het artikel dat intussen ook te vinden is op de website van de Jules Isaac Stichting. De reacties die ik wél heb gekregen waren onverdeeld positief, vaak zelfs uitgesproken lovend. Onder degenen die reageerden waren ook verschillende theologen van naam. Geen van hen had substantiële kritiek op het artikel, noch op de gedane exegese, noch op de door mij getrokken conclusies. Dit was meer dan ik had durven hopen. Dat de door mij voorgestelde exegese ook bij theologen niet onder vuur kwam te liggen was voor mij belangrijk. Het heeft me gesterkt in de overtuiging waarschijnlijk op het juiste exegetische spoor te zitten. En het heeft me bemoedigd om de gekozen denklijnen verder door te trekken. In dit vervolgartikel doe ik enkele kleine stappen daartoe, met de bedoeling dat er later meer volgt, van mijn hand en hopelijk ook door anderen. Want dat zou betekenen dat het verhaal breder gaat landen. Dat ik dat gezien het grote belang van de zaak wenselijk acht moge duidelijk zijn.

Lees meer


Tijdlijn: kerk en antisemitisme

Door: Bjorn Lous

Naar aanleiding van de lezing ‘Het failliet van het vervangingsdenken en de noodzaak van een nieuw canoniek verhaal‘ hebben wij een tijdlijn gemaakt die het anti-Joodse denken in de vroege kerkgeschiedenis op een rijtje zet.

Zo werden  in het jaar 49 AD de Joden verbannen uit Rome en werd het voor niet-Joden verboden om de Joodse levensstijl te volgen. Deze en meer historische feiten vindt u terug in de onderstaande ‘Tijdlijn: kerk en antisemitisme’.

Klik op de afbeelding om een pdf te downloaden…

Tijdlijn: kerk en antisemitisme