Opwekking en liefde voor Israël

door J. Bol

De relatie van het christendom met het jodendom is vanaf de vroege kerk in de tweede eeuw tot de dag van vandaag altijd een gecompliceerde geweest. Dat gecompliceerde kent gelukkig gradaties. De periode van de tweede eeuw tot aan de reformatie was er een van nagenoeg universeel beleden vervangingsdenken en antijudaïstische theologie. En vooral vanaf de kruistochten, een van veelvuldig geweld tegen de in christelijk Europa levende Joden. Het valt historisch niet te ontkennen dat met name in de Middeleeuwen de Europese Joden regelmatig onnoemelijk zwaar onrecht is aangedaan, met name de moordpartijen tijdens de kruistochten en de Spaanse Inquisitie als wel het meest bekende voorbeeld hiervan. Dit stuk kerkgeschiedenis is in veel opzichten niet bepaald het meest verheffende geweest. Van iets als opwekking was slechts heel sporadisch hier en daar sprake. Er kwam begin 1500 uiteindelijk niet voor niets een Reformatie.

Lees meer


Israël zegenen

Preek Israëlzondag 7 oktober 2012

Door: J. Bol

LEZEN uit HSV: Genesis 12:1-7 en Efeze 1: 3-4

De Heere nu zei tegen Abram: Gaat uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en Ik zal u tot zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Toen ging Abram op weg, zoals de Heer tot hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud toen hij uit Haran vertrok.

Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus, omdat Hij ons voor de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.

Lees meer


Kan niet zonder, mag niet zonder

De onopgeefbare verbondenheid van Kerk en Israël

Lezing gehouden op de themadag George Whitefield Stichting 31 maart 2007:

dr. H.A. Bakker

‘Een bescheiden poging’

De woorden ‘Een bescheiden poging’ zijn een vertaling van de eerste woorden van een geschrift van Jonathan Edwards (1703-1758). In 1747 schreef deze late puritein zijn bekende traktaat An Humble Attempt1 waarin hij de christenheid in zijn dagen opriep om aanhoudend gezamenlijk in gebed te gaan en God te bidden om een opwekking. Ik wil me in geen enkel opzicht met Edwards vergelijken en noem mijn lezing daarom ‘Een bescheiden poging’ om feitelijk hetzelfde te zeggen: laten de christenen de handen ineenslaan en vervolgens ook vouwen om God te vragen met Zijn Geest op het wereldtoneel in te grijpen en daarbij in het bijzonder om te zien naar het joodse volk Israël. Met dit pleidooi bevinden we ons helemaal op het spoor van de apostel Paulus (in Romeinen 11: 25-27) en de theoloog van de opwekking Jonathan Edwards. Bijzonder is dat veel puriteinen in de zestiende en zeventiende eeuw al een Israëlvisie hadden en zich daarbij beriepen op grondleggende teksten bij Paulus2 zoals die zich nooit zo heeft ontwikkeld onder de continentale Lutheranen en Calvinisten. Edwards heeft zijn visie op het fenomeen opwekking en Israël uit de puriteinse traditie overgenomen en op zijn dagen toegesneden. Hij las uit de tekenen der tijden in zijn dagen af dat God de kerk aan het voorbereiden was op een grootschalig ingrijpen van boven. Hier en daar vonden in Europa en Amerika lokaal opwekkingen plaats. Was het niet tijd om God te vragen dieper in te grijpen en de kerk wereldwijd te bekrachtigen? Was het niet tijd dat dan ook het joodse volk (wat toen nog geen eigen land had) zich tot Jezus de Christus zou bekeren? De kerk zou dan aan het begin van een nieuw tijdperk staan en met buitengewone genade het evangelie wereldwijd verspreiden en verkondigen. Landen en volken overal ter wereld zouden tot Jezus komen. Pas als de grote oogst was binnen gehaald, waaronder ook de joodse meerderheid, dan pas zou Jezus’ wederkomst nabij zijn. Wat kunnen wij hieruit leren voor vandaag?

Lees meer


Leven en werken van John Owen – Een inleiding

Door J. Bol

De puritein John Owen is een van de belangrijkste theologen die Engeland ooit gekend heeft. Wanneer er iemand moet worden aangewezen als de held van dit boek, dan komt niemand daarvoor meer in aanmerking dan Owen. Zijn tijd kende vele theologen van zeer groot formaat, maar Owen stak met kop en schouders boven allen uit. C.H. Spurgeon noemde hem ‘de prins onder de godgeleerden’. Tegenwoordig kent bijna niemand hem en met die onwetendheid doen we onszelf in ernstige mate te kort.1

Met deze woorden begint J.I. Packer in zijn boek Among God’s Giants het hoofdstuk dat handelt over The spirituality of John Owen (“John Owen over het geestelijk leven”). Dit boek van Packer werd in 1991 in Engeland uitgeroepen tot het beste christelijke boek van het jaar. Het bevat in totaal twintig uitmuntende artikelen over de puriteinen en hun betekenis voor vandaag. Vier van de twintig hoofdstukken handelen over John Owen. Men kan Packer dus niet verwijten dat hij zich niet heeft ingespannen iets te doen aan de door hem gesignaleerde wijdverbreide onwetendheid met de belangrijkste theoloog onder de engelse puriteinen.

Lees meer


Liefde en heiliging

door J. Bol

De apostel Paulus begint zijn eerste hoofdstuk van de Efezebrief met de volgende woorden:
Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus, omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde. (Herziene Statenvertaling). In het tweede gedeelte van dit vers doet Paulus een opmerkelijke uitspraak waar volgens mij bijna altijd overheen gelezen wordt. Namelijk dat de gemeente van Christus is uitverkoren om heilig en onberispelijk te zijn in de liefde. Deze brief aan de Efeziërs handelt bij uitstek over het wezen van de gemeente. En één van de allereerste dingen die de apostel over de gemeente schrijft betreft het doel van haar uitverkiezing in Christus. En dat doel omschrijft hij hier als volgt: dat de gemeente van Christus heilig en smetteloos zal zijn voor God in de liefde. De NBG-vertaling (1951) heeft hier voor ‘smetteloos’ het woord ‘onberispelijk’.

Lees meer


Jonathan Edwards, theoloog van de opwekking

Door prof. dr. J.I. Packer

Jonathan Edwards, gelovige, geleerde, predikant, calvinist en leider tijdens een opwekking, leefde van 1703 tot 1758. Het was een lange, wat gereserveerde man met een zachte, vriendelijke stem. Hij wist wat hij wilde en was eenvoudig van hart. In 1727, hij was toen al vijf jaar elders als voorganger werkzaam geweest, werd hij de tweede voorganger van de grote en gerenommeerde kerk van Northampton in Massachusetts. Hier was zijn grootvader, Solomon Stoddard, de grote voorman van het kerkelijk leven in de Vallei van Connecticut, al predikant sinds 1669. Stoddard had intussen de eerbiedwaardige leeftijd van 83 jaar bereikt. Northampton was een stad van misschien tweeduizend inwoners en de kerk van Northampton was de meest bekende en de invloedrijkste in New England, buiten die van Boston. Stoddard zelf werd door zijn gemeente bijna aanbeden. De meeste gemeenteleden waren opgegroeid tijdens zijn bediening. Twee jaar later, in 1729, maakte Stoddards dood een einde aan zijn zestigjarig ambt en vanaf die tijd was Edwards de enige predikant. In de jaren 1734 en 1735 en van 1740 tot 1742 zag hij bijzondere werkingen van de Geest van God in zijn gemeente en in het laatste geval in heel New England. Vanaf 1743 had Edwards echter om verschillende redenen moeilijkheden met zijn gemeente. In 1750 werd hij uit zijn ambt gezet omdat hij erop stond dat de eis die Stoddard had laten vervallen, in ere hersteld zou worden, namelijk dat er een persoonlijke geloofsbelijdenis nodig was als absolute voorwaarde om aan het Avondmaal te mogen deelnemen. Edwards vertrok toen naar een zendingspost in het grensgehucht van Stockbridge. Hier schreef hij zijn grootse verhandelingen over de Freedom of the Will (Vrijheid van de wil) en Original Sin (De erfzonde). In 1757 werd hij benoemd tot hoofd van Princeton College. In februari 1758 reisde hij naar Princeton om zijn benoeming te aanvaarden. Zijn eerste stap was om zich te laten inenten tegen pokken. De inenting veroorzaakte echter koorts en de volgende maand stierf hij.

Lees meer


Wat valt er nog te beleven als je niets meer weet?

Jonathan Edwards over het toetsen van geloofservaringen

Lezing in het kader van de themadag van de George Whitefield Stichting, Poortkerk Veenendaal, 24 november 2007

Door J. Bol

Wat valt er nog te beleven als je niets meer weet ? Zo luidt in vraagvorm het motto van deze themadag. Hier wordt overdreven, dat is wel duidelijk. Maar er is wel iets aan de hand, zoveel is ook wel duidelijk. De kerk van nu is natuurlijk niet verstoken van ieder weten, maar er is wel degelijk een tendens waar te nemen van afnemende bijbelkennis en van een afnemende motivatie om zaken in de kerk werkelijk te toetsen aan de Schrift. Als baptist ben ik het beste thuis in de evangelische kringen, en het is met name hier dat ik dit afnemen van kennis van de Schrift signaleer. Maar wat ik hier en daar lees over de gevestigde kerken wekt bij mij niet de indruk dat de zaken er daar heel veel beter voorstaan.

Lees meer


Israël: Graat in de keel van de theologie

N.B. Voor een verklaring van de begrippen ‘vervangingstheologie’ ,’ amillennialisme’ en ‘premillennialisme‘ verwijs ik u graag naar de verklarende woordenlijst onderaan het artikel.

Door J. Bol

Als bestuur van de George Whitefield Stichting hebben we een jaar van bezinning over de relatie Kerk-Israël achter de rug. De aanleiding hiertoe was de voor mij schokkende ontdekking dat de Holocaust niet los gezien kan worden van het antijudaïsme in de klassieke christelijke vervangingstheologie. Dit was nieuw voor mij en het heeft er behoorlijk diep bij me ingehakt. Want hoe is het mogelijk dat een religie als het christendom, een religie die zaken als naastenliefde en vergeving zo hoog in het vaandel heeft staan, iets van doen zou kunnen hebben met zoiets duisters als het antisemitisme? Als bestuur samen nadenken over dit heftige vraagstuk bleek een niet eenvoudig maar wel heel vruchtbaar proces. Een proces waarmee we deels ver gekomen zijn en deels nog middenin zitten.

Lees meer


Hoe de vervangingstheologie moest wijken voor het getuigenis van de bijbel

Door J. Bol

De idee dat de kerk de plaats van Israël heeft ingenomen was naar alle waarschijnlijkheid al rond het jaar 100 na Christus gemeengoed in de vroege kerk. Het blijft nog steeds moeilijk te begrijpen dat deze opvatting al zo vroeg in de kerk heeft kunnen postvatten. Gelukkig zijn er in de kerkgeschiedenis ook tegengeluiden geweest van dappere christenen die wezen op Gods plan met Israël. Wel moet gezegd dat zij binnen de kerk altijd in de minderheid zijn geweest.

Hoe kon het dat de kerk al in zo’n vroeg stadium meende dat de rol van Israël was uitgespeeld? Nog geen vijftig jaar ervoor had de apostel Paulus toch in niet mis te verstane bewoordingen de gemeente te Rome gewaarschuwd deze heilloze weg niet in te slaan. In Romeinen 11 windt hij er geen doekjes om: God heeft Israël niet verstoten en de gelovige heidenen die als wilde loot geënt zijn op de stam Israël, moeten zich niet verheffen tegen de natuurlijke takken: de Joden. Het bleek al snel allemaal aan dovemansoren gericht. Met name de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 werd in de vroege kerk als bewijs aangevoerd dat de rol van Israël als verbondsvolk zou zijn uitgespeeld. Het Joodse volk dat in grote meerderheid Jezus niet als Messias erkende, viel volgens de jonge kerk nu verder onder de vloek en het oordeel van God. De kerk die inmiddels in grote meerderheid uit bekeerde heidenen bestond onterfde zo in feite Israël Alle heilsbeloften voor Israël in het Oude Testament werden vanaf nu op de kerk, het nieuwe Israël, betrokken. Maar de aanzeggingen van vloek en oordeel bleven van toepassing op de Joden.

Lees meer


Een veelbelovende Joods-christelijke dialoog

Door J. Bol

Het was zeer begrijpelijk geweest wanneer na de Holocaust Joodse denkers iedere lust tot enig gesprek met christelijke denkers zou zijn vergaan. Het tegendeel is echter het geval geweest. Sterker nog, het initiatief voor een gesprek kwam al kort na de Tweede Wereldoorlog zelfs regelmatig van Joodse kant. Een bekende naam in dit verband is de Franse Joodse historicus Jules Isaac, schrijver van het zeer invloedrijke boek ‘Jesus et Israël’, een boek dat hij begon te schrijven terwijl hij in Frankrijk ondergedoken zat. Zijn vrouw, die intussen al diep betrokken was geraakt bij de studie van haar man naar de wortels van het antisemitisme in het christendom, wist een briefje uit de trein te smokkelen die haar naar Auschwitz voeren zou. Ze schreef: “Red jezelf voor je werk; de wereld wacht erop”. Dit korte briefje is bepalend geweest voor Isaac’s verdere leven. Het was Jules Isaac die de term ‘catechese der verguizing’ introduceerde. Tijdens zijn onderduikperiode was hij regelmatig in gesprek met verschillende predikanten over de wortels van het antisemitisme in de christelijke theologie. Zijn vrouw, dochter en schoonzoon kwamen allen om in Auschwitz. Na de oorlog stichtte Isaac in 1948 ‘L’Amitié Judeo-Chretienne’, een groep bestaande uit Joden en christenen. Zij stelden zich ten doel om verkeerde ideeën over het geloof van Joden en Christenen volledig uit de wereld te helpen en om te werken aan een positieve waardering over en weer van elkaars geloofstraditie. Isaacs persoonlijke onderhoud in 1960 met paus Johannes XXIII was de aanleiding voor de historische encycliek Nostra Aetate. In deze encycliek nam de Rooms Katholieke kerk voor het eerst in 1800 jaar officieel afstand van het christelijke antijudaïsme.

Lees meer