De heilige missie van Jules Isaac: Jezus en Israël onopgeefbaar verbonden

door J. Bol

Komend najaar 28 oktober is het exact vijftig jaar geleden dat de Rooms Katholieke Kerk met de verklaring Nostra Aetate geschiedenis schreef in haar relatie tot het Joodse volk. Deze historische gebeurtenis vond plaats tijdens het Tweede Vaticaans Concilie. Paus Johannes Paulus XXIII riep 25 januari 1959, voor velen volkomen onverwacht, dit concilie bijeen. Het was een persoonlijk initiatief van de nieuwe paus. Slechts weinigen hadden zoiets verwacht van voormalig kardinaal Angelo Roncalli. De Italiaan was nog maar kort tevoren, na het overlijden van Paus Pius XII, op 28 oktober 1958 door de vergadering van kardinalen tot paus was verkozen. Angelo Roncalli is dan al 77 jaar en wordt vanwege zijn leeftijd door velen als een tussenpaus gezien, iemand van wie geen opzienbare stappen verwacht hoefden te worden. Maar dat pakt heel anders uit.
Het Tweede Vaticaans Concilie ging na gedegen voorbereiding ruim drie jaar later op 11 oktober 1962 van start. Het zou iets meer dan drie jaar gaan duren. De verwachtingen zijn hoog gespannen. Het concilie staat regelmatig in de schijnwerpers van de internationale pers. Paus Johannes XXIII is zich bewust van de vele ingrijpende veranderingen in zijn dagen. Dit besef leeft bij veel van de kardinalen en bisschoppen, al zijn er ook conservatieve krachten die alles het liefst bij het oude willen laten. Het koloniale tijdperk loopt op zijn laatste benen, derde wereld landen worden in rap tempo zelfstandige staten. Europa heeft twee verwoestende wereldoorlogen achter de rug. Het hele continent moet na 1945 weer opgebouwd worden. Het zelfvertrouwen van de westerse cultuur heeft ernstige deuken opgelopen Het is ook de tijd waarin de moderne media hun vlucht beginnen te nemen. En waarin Oost en West elkaar met de dreiging van een allesvernietigende atoomoorlog in de houdgreep houden. De Sovjet Unie met haar communistische ideologie was een reële dreiging voor de Westerse wereld en de wereldkerk. De nieuwe paus acht het onontkoombaar dat de Rooms Katholieke Kerk zich grondig bezint over de vraag wat haar antwoord op dit alles moet zijn. De kerk moet ‘bij de tijd’ gebracht worden, ze kan niet gewoon op de oude voet doorgaan. Een bepaalde modernisering wordt onontkoombaar geacht. ‘Aggiornamento’ is het sleutelwoord. Een van de resultaten van het concilie is dat de mis, de rooms katholieke eredienst voortaan niet meer in het latijn maar in de landstalen gehouden zal gaan worden. Ook gaat de Bijbel een veel grotere rol spelen in liturgie, catechese en diaconie. Leken krijgen ruimte om een grotere rol te spelen in de parochies. De kerk wordt in plaats van een instituut nu veel meer als ‘volk van God’ gezien. Er komt openheid voor oecumene, de luiken gaan open naar Protestante en Orthodoxe kerken. Maar er was meer.

De grote impact van Nostra Aetate

Nu vijftig jaar later de balans opmakend kunnen we concluderen dat de verklaring over de relatie tot het Joodse volk in Nostra Aetate het belangrijkste wapenfeit van het concilie is geweest. Het is belangrijk te beseffen dat deze verklaring in de Rooms Katholieke Kerk de status geniet van door de Paus en concilie bekrachtigde kerkelijke leer. Dit betekent dat Nostra Aetate nooit meer door de Rooms Katholieke Kerk herroepen zal kunnen worden. De verklaring heeft de status van plechtig kerkelijk leergezag. Met andere woorden, er is in de relatie tot het Jodendom een wissel omgezet die in de Rooms katholieke Kerk nooit meer teruggedraaid kan worden.
Nostra Aetate heeft het begin ingeluid van een totaal nieuwe relatie van de Rooms Katholieke Kerk met het Jodendom. Voor het eerst in bijna 2000 jaar wordt door Katholieken en Joden op voet van gelijkwaardigheid met elkaar gesproken. Rooms Katholieke geestelijken gaan voor het eerst in dialoog met rabbi’s en Joodse theologen. Een dialoog waarin de kerk werkelijk luistert naar de Joodse stem, en dat over en weer. Dit was uniek, zoiets was eerder volstrekt ongekend. Intussen bestaan er tal van dialoogcontacten met rooms katholieke en ook protestantse christenen, tot op de hoogste kerkelijke niveaus. Ik heb de indruk dat het historisch gewicht van deze fundamentele koerswijziging in de Rooms Katholieke Kerk aan protestantse en evangelische zijde vaak nog onvoldoende wordt onderkend.
Een andere vrucht van Nostra Aetate is de veranderde houding ten opzichte van de staat Israël. Zo knoopt het Vaticaan in 1994 volwaardige diplomatieke banden aan met de Joodse staat en bezoekt toenmalig paus Johannes Paulus II in 2000 Israël en bidt hij bij de Klaagmuur. Zijn bezoek valt erg goed in Israël, hij bezoekt ook Yad Vashem. De paus blijkt zelf diep bewogen. Hij maakt geen geheim van zijn diepe verbondenheid met het Joodse volk. Johannes Paulus II is ook de eerste paus ooit die een synagoge bezoekt (in Rome) en hij is de eerste die een bezoek brengt aan vernietigingskamp Auschwitz. De huidige paus Franciscus maakt er geen geheim van dat de opperrabbijn van Buenos Aires al jaren tot zijn beste vrienden behoort. Ook hij geeft blijk van een diepe verbondenheid met het Joodse volk. Sinds Nostra Aetate komen rabbijnen regelmatig samen met Rooms Katholieke theologen uit de hoogste regionen van het Vaticaan. En dat in een uitstekende en open sfeer. De kerk die met de synagoge in diep geloofsgesprek is op basis van volkomen gelijkwaardigheid, zoiets was eeuwenlang ondenkbaar. Er is overduidelijk een wissel omgezet aan beide kanten. Het belang hiervan kan moeilijk overschat worden.
In mijn artikel ‘Bloed, zweet en tranen; De aanloop naar Nostra Aetate’ dat in het februari nummer van dit tijdschrift verscheen, besteedde ik ruim aandacht aan de beslissende rol die Rooms Katholieke Joden tussen 1933 en 1965 speelden in de aanloop naar Nostra Aetate. Maar er waren meer Joden betrokken bij deze revolutionaire omslag in de Rooms Katholieke Kerk. Een van de allerbelangrijkste is wel de Franse Joodse historicus Jules Isaac geweest.

Een groot historicus

Jules Isaac was een Franse Joodse historicus die grote bekendheid genoot in Frankrijk. Hij leefde van 1877 tot 1963. Isaac wordt geboren in een geassimileerd Joods gezin, zijn vader en grootvader waren beide officier in het Franse leger. De familie leeft al generaties lang in Frankrijk. De vader van Jules deed weinig aan zijn Joodse geloof, zijn moeder meer. Zij bidt, bezoekt de synagoge tijdens de Joodse feesten en vast op Jom Kippoer. De jonge Jules verliest beide ouders al op dertienjarige leeftijd. Een oudere zwager krijgt de zorg over de jongen en plaatst hem in een streng internaat. Een moeilijke en bepaald geen gelukkige periode. Hij is in die jaren regelmatig ziek. Toch lijden zijn schoolresultaten daar niet onder, die zijn zelfs uitstekend. Na zijn middelbare school krijgt hij de kans om aan de Sorbonne te gaan studeren, de gerenommeerde universiteit in Parijs. Een kans die hij met beide handen aangrijpt. Na eerst een jaar in militaire dienst te zijn geweest voltooit hij in vlot tempo zijn studie geschiedenis. Intussen heeft hij eind jaren negentig de schokkende Dreyfuss affaire heel bewust meegemaakt. Het is zijn eerste kennismaking met antisemitisme. Samen met de vijf jaar oudere Charles Peguy, die hij in zijn middelbare schooltijd heeft leren kennen en met wie hij bevriend raakt, komt hij in het geweer voor André Dreyfuss. Deze Franse Joodse officier wordt in een antisemitisch geïnspireerd showproces veroordeeld voor landverraad, Later zou Dreyfuss gerehabiliteerd worden. Dit was Isaacs eerste en tot 1940 ook enige confrontatie met antisemitisme in Frankrijk. Opkomen voor gerechtigheid en waarheid zouden heel zijn leven tot Isaacs diepste drijfveren blijven behoren. Over de tijd voor de Tweede Wereld Oorlog schreef hij later: “Ik was een Jood. Ik beroemde me er niet op en ik verborg het niet. Het was een gegeven.“
Na zijn studie aan de Sorbonne gaat Jules Isaac aan de slag als leraar geschiedenis op middelbare scholen. In 1902 trouwt hij met de Joodse Laure Ettinghausen. De erop volgende jaren worden een dochter en een zoon geboren, Juliette in 1903, Daniel in 1907. De Isaacs hebben een gelukkig huwelijk. Dan breekt in 1914 de Eerste Wereldoorlog uit en wordt hij onder de wapenen geroepen. Van 1914 tot 1917 vecht hij aan het front. Intussen is hij in contact gekomen met uitgeverij Hachette. Deze uitgeverij geeft een meerdelige serie uit over Franse en wereldgeschiedenis voor middelbare scholen en het universitair onderwijs. Wanneer de auteur van deze serie, Albert Malet, in 1915 aan het front omkomt krijgt Jules Isaac van de uitgever het verzoek om de serie verder onder zijn hoede te nemen. De zevendelige reeks wordt een begrip in Frankrijk. Decennia lang, tot na de Tweede Wereldoorlog, wordt de serie op praktisch alle Franse middelbare scholen en universiteiten als standaardwerk gebruikt. Isaac ziet erop toe dat de serie ook essentiële waarden als verzoening en gerechtigheid uitdraagt. Dit had alles te maken met zijn eigen ervaringen van drie jaar lang als infanterist gedurende de Eerste Wereldoorlog. In de loopgraven ziet hij soldaten bij bosjes op volstrekt zinloze wijze sneuvelen. Juni 1917 raakt hij zelf zwaar gewond tijdens een artillerie duel bij Verdun. Hij herstelt van de verwondingen. In 1918 wordt hun derde zoon geboren, Jean-Claude Janet. Na de oorlog ontvangt Jules Isaac de hoge onderscheiding van het Legioen van Eer voor bewezen dapperheid in de loopgraven bij Verdun. De gruwelijke en in zijn ogen zinloze Eerste Wereldoorlog met miljoenen gesneuvelde soldaten roept grote vragen op bij Isaac de historicus. Hij publiceert erover en raakt in 1923 betrokken in een internationaal debat over deze oorlog. In de jaren twintig en dertig maakt hij zich sterk voor verzoening tussen Fransen en Duitsers. Hij maakt zich in de jaren twintig ook sterk voor het eerbiedigen van mensenrechten. In de jaren dertig levert hij met woord en geschrift strijd tegen het opkomende fascisme. Hij is intussen een nationale bekendheid geworden.

De wereld wacht erop

In 1936, hij is dan bijna zestig jaar, wordt Jules Isaac benoemd op de hoogste post op het ministerie van onderwijs, inspecteur géneral voor het hele Franse middelbaar en universitair onderwijs. Een kroon op zijn carrière als onderwijsman en historicus. Hij is een gezien persoon in Frankrijk, kent tal van mensen. Maar dan vallen in 1940 de nazi’s Frankrijk binnen en begint er een heel nieuw hoofdstuk in het leven van Jules Isaac. De Duitsers dragen de Franse regering in Vichy op alle Joden te ontslaan uit overheidsfuncties. Hij wordt uit zijn functie gezet en moet zijn werk als inspecteur géneral in het najaar van 1940 neerleggen. Een bizarre ervaring voor Isaac. Wanneer een jaar later de Duitsers Vichy Frankrijk ook feitelijk bezetten moeten de Isaacs die in Aix en Provence wonen onderduiken. Jules Isaac helpt bekenden om ook onder te duiken, zijn vele contacten komen daarbij goed van pas. Ze trekken van het ene onderduikadres naar het andere, de ene keer bij boeren, vaak ook bij bevriende predikanten en priesters, kloosters soms. Iedereen kent Jules Isaac, hij is niet alleen alom gerespecteerd maar ook geliefd. Deuren staan altijd voor hun open. Jules Isaac is verbijsterd over het extreme antisemitisme dat de Joodse gemeenschap treft. De fanatieke meedogenloze jacht op de Joden komt onwerkelijk en absurd op hem over. Het hele gebeuren roept grote vragen bij hem op. Als mens, als Jood en niet in het minst als historicus. In heel zijn publieke leven als Fransman had hij, afgezien van de Dreyfuss affaire, nooit met antisemitisme te maken gehad. Hij begint een onderzoek naar de de wortels van het extreem moorddadige antisemitisme van de nazi’s. Hij wil weten waar het vandaan komt. Predikanten, priesters en kloosterlingen helpen Isaac aan studiemateriaal. Toegang tot openbare bibliotheken is er niet meer bij, veel te gevaarlijk. Hij voert regelmatig gesprekken met predikanten en priesters op zijn onderduikadressen, ze denken met hem mee. Ook zijn vrouw is nauw betrokken bij zijn onderzoek. Al snel raakt hij op het spoor van de anti-Joodse traditie in de theologie. Hij duikt diep in de bestudering van de Evangeliën en neemt bijbelcommentaren en tal van ander relevant materiaal door, alles waar hij maar de hand op weet te leggen, op de vlucht van onderduikadres naar onderduikadres. Dit is nieuw terrein voor Isaac. Want hij is geen theoloog, hij is historicus. Hij pretendeert dan ook niet een exegetische studie te gaan doen. Later zou hij in het voorwoord van ‘Jésus et Israel‘ schrijven dat exegese bedrijven een voorbereiding van een heel leven van toewijding aan Schriftstudie vraagt.
Dan slaat in oktober 1943 het noodlot toe. Isaac is de deur uit voor een korte wandeling. Als hij na zijn wandeling terugkomt op hun onderduikadres in Riom blijkt zijn vrouw gearresteerd door de Gestapo. Ook zijn dochter, schoonzoon en zijn jongste zoon worden gearresteerd, op een ander onderduikadres. Zijn oudste zoon Daniel zit in het verzet en was al uitgeweken naar Engeland. Isaac zelf ontspringt de dans omdat hij net van huis is als de Gestapo de inval doet. Hij is verbijsterd en diep aangeslagen en dreigt in een diepe depressie te raken. De opgepakte gezinsleden worden afgevoerd naar doorgangskamp Drancy bij Parijs, het Franse equivalent van Westerbork. Vanuit Drancy worden de Joden per trein doorgestuurd naar de vernietigingskampen. Zijn jongste zoon weet uit het transport te ontsnappen en overleeft net als zijn broer Daniel de oorlog. Zijn vrouw Laure schrijft in Drancy een afscheidsbriefje voor haar man. Het briefje bereikt hem. Het zou de rest van zijn leven enorm belangrijk voor hem blijven. Ze schrijft onder andere het volgende“Mon ami, garde toi pour nous , aie confidence et finis ton oeuvre que le monde attend”( “Mijn vriend, pas op je zelf voor ons, heb vertrouwen en voltooi je werk, de wereld wacht erop”). Ze doelt op zijn onderzoek naar de wortels van het antisemitisme. Kort daarna, ergens in oktober 1943 worden zijn vrouw, zijn dochter Juliette en haar man vergast in Auschwitz. Isaac vreest het ergste maar zekerheid over hun dood zou hij pas na de oorlog hebben, wanneer de drie definitief niet terugkomen.
Het zijn deze woorden van zijn vrouw die Isaac de kracht geven om door te gaan. Hij zet zijn onderzoek ondanks de enorme klap onvermoeibaar voort. Uiteindelijk zou het onderzoek resulteren in het boek ‘Jésus et Israel‘, een studie van 600 pagina’s over de relatie van Jezus met het volk Israël. Hij schrijft het boek in drie jaar, van 1943 tot 1946. Het grootste deel schrijft hij op de vlucht van het ene onderduikadres naar het andere. Het boek ontstond dus onder zeer ongewone omstandigheden, in een ‘hogedrukpan’ van diepe tragiek en voortdurend gevaar. Het was geen gewoon boek, daar was Isaac zich zeer van bewust. Door heel het boek heen brandt een passie voor waarheid, gerechtigheid en liefde, passie ook voor zijn vrouw en dochter die hem wreed ontnomen zijn en voor wier leven hij vreest. Later schreef hij hier het volgende over: “Sinds dat briefje van mijn vrouw werd het schrijven van het boek een heilige missie. Dit boek is ook mijn vlees en mijn bloed (…) er staat geen regel in die niet aan hen is gewijd, die niet aan hen alle twee is gewijd. Het is net zo goed hun boek als het mijne”. En ergens anders schrijft hij dat het boek bovenal is gegroeid vanuit ‘een diepe passie voor de waarheid, dat in het hele boek een brandende ziel woont, een vuur.’

Schokkende ontdekkingen

Wat is zijn aanpak geweest? Die komt kort gezegd op het volgende neer. De verslagen van de Evangeliën leggen naast wat hij aantreft in bijbelcommentaren en andere christelijke literatuur waar hij maar de hand op weet te leggen. En zijn kennis van de geschiedenis, met name die van het Joodse volk, leggen naast de lezing en interpretatie van deze geschiedenis in de christelijke theologische traditie. Zijn doel is helder krijgen wat de kerkelijke theologische traditie leert over het Joodse volk door de eeuwen heen en over de relatie van Jezus met het Jodendom van zijn dagen. En waar die traditie mogelijk afwijkt van de Evangeliën en van de historisch feiten. Zijn enorme expertise en bekwaamheid als historicus komen hem hierbij goed van pas. Hij gaat nauwgezet te werk, doet uitgebreide literatuur studie. En dan komt hij in de loop van zijn drie jaar durend onderzoek tot schokkende ontdekkingen. De gangbare christelijke opvattingen over de Joden blijken regelmatig in ernstige mate af te wijken van wat de Evangeliën zelf leren. En de duiding van de geschiedenis spoort op wezenlijke punten niet met de feitelijke geschiedenis van het Joodse volk. En misschien wel de belangrijkste conclusie: daar waar de theologische traditie afwijkt van de Evangeliën en de feitelijke historische gegevens blijken die afwijkingen stelselmatig ten nadele van de Joden te zijn. Voor Isaac de historicus wordt het duidelijk dat het extreme antisemitisme van zijn dagen slechts verklaarbaar is vanuit de eeuwenlang door de kerk verbreide anti-Joodse denkbeelden. Hij toont met tal van voorbeelden aan dat deze denkbeelden op talloze plaatsen in de liturgie, de prediking, het catechese onderricht en de kerkelijke kunst terug te vinden zijn.
Voor alle duidelijkheid, en dit moet echt telkens opnieuw duidelijk gezegd worden, de door de Nazi’s uitgevoerde Holocaust is niet een op een terug te voeren op christelijke theologie. Integendeel, de Holocaust is in zijn duivelse geaardheid fundamenteel in tegenspraak met het wezen en de leer van de kerk. Maar dat is ook niet wat Isaac beweert. De relatie tussen de anti-Joodse trekken binnen de christelijke traditie en de Holocaust is een indirecte.
Op grond van al het bewijsmateriaal dat hij verzameld heeft staat het voor Isaac vast dat de Holocaust nooit in het hart van christelijk Europa had kunnen plaats vinden als deze alles doortrekkende anti-Joodse denkbeelden niet eeuw in eeuw uit verbreid geweest waren. Vooral in de vroege en late middeleeuwen door de toen nog zeer invloedrijke kerk, en dat met de Bijbel in de hand, met groot kerkelijk gezag. Nagenoeg alle historici, theologen en filosofen die zich na Isaac in de Holocaust hebben verdiept trekken dezelfde conclusie. De alles doortrekkende diepe invloed van de kerkelijke anti-Joodse leer heeft onbedoeld maar ontegenzeggelijk de vruchtbare voedingsbodem doen ontstaan waarop de nazi’s hun niets ontziende genocide op de Europese Joden hebben kunnen uitvoeren. Anti-Joodse sentimenten waren diep geworteld geraakt in de psyche van de de meeste Europeanen. De christelijke schuld aan de Holocaust is dus een indirecte. Maar dat maakt ze niets minder ernstig.
Dat het noemen van deze relatie voor veel kerkmensen nog steeds vreemd en ongeloofwaardig in de oren klinkt komt door het feit dat over deze heel pijnlijke kwestie in de meeste kerken met geen woord wordt gerept. Ik noem het wel ‘het beste bewaarde geheim van de kerk’. Maar het zou beter zijn hier gewoon open over te zijn. Want pas dan kan er een begin gemaakt worden met het herstel van onze traditie, kan er schoon schip gemaakt worden.

Een innerlijk tegenspraak

Jules Isaac doet in dit verband een paar heel opmerkelijke uitspraken. In de inleiding van zijn laatste boek ‘De Catechese der Verguizing’ schrijft hij het volgende “Alle gezaghebbende stemmen zijn het erover eens dat antisemitisme per definitie onchristelijk is, zelfs antichristelijk. Een echte christen kan geen antisemiet zijn” Vervolgens schrijft hij even verderop: “Mijn tweede stelling is volledig tegengesteld aan de vorige, maar is desalniettemin feitelijk juist: er bestaat zoiets als een christelijk antisemitisme.” En dan gaat hij verder en stelt dat het merendeel van de christenen, vaak zonder dat ze zich daarvan bewust zijn, met anti-Joodse denkbeelden rondloopt, ingegeven door een eeuwenlang uitgedragen anti-Joodse schriftuitleg. Het is 1962 als hij dit schrijft, sindsdien is er op dit gebied gelukkig wel het nodige verbeterd. Maar Isaac legt met deze twee tegengestelde beweringen wel iets fundamenteels bloot waar we als christenen echt nog niet mee klaar zijn. Namelijk dat er in de christelijke theologische traditie al heel vroeg in de kerkgeschiedenis iets is binnengeslopen wat wezensvreemd is aan het Evangelie en het christendom zelf. Jules Isaac betoogt dat de anti-Joodse traditie in het christendom in tegenspraak is met de Evangeliën zelf, in strijd met de boodschap die Jezus zelf bracht. Het is de waanzin en de gruwelijke demonie van de Holocaust die hem drijft om de kerk aan te sporen haar belijden na bijna 2000 jaar van deze anti-Joodse traditie te ontdoen. De immensiteit en demonie van de ten hemel schreiende tragedie van de Holocaust noopt daartoe. Jules Isaac is ervan overtuigd dat deze anti-Joodse traditie wezensvreemd is aan het Evangelie en het christendom zelf. Dat het een ‘fremdkörper’ is waar het christendom zich kost wat kost volkomen van moet zien te ontdoen. Omwille van de Joden en omwille van de Kerk zelf. Een innerlijke tegenspraak die de kerk moet zien te overwinnen. Na de oorlog zet hij zich onvermoeibaar in om de kerk hiertoe te motiveren en haar hierbij van dienst te zijn waar mogelijk. Hij reikt als Jood de vriendschapshand. Hij is uit op verzoening en op herstel van een bijna 2000 jaar ernstig verstoorde relatie. Op het uit de weg ruimen van eeuwenoude misverstanden. Over en weer. Christelijke misverstanden over Joden en Joodse misverstanden over Christenen. Want ook die laatste ziet Isaac als een probleem, hij legt niet alle schuld bij de kerk op de stoep. Dat maakt de man zo groot.

Jezus en Israël

Isaac bouwt zijn bewijsvoering in ‘Jésus et Israel‘ zorgvuldig op. Hij laat geen argument onbesproken. Zijn onderzoek is grondig, nauwgezet en wat vooral opvalt: vrij van elke polemische toon. Nergens wordt de lezer vergast op negatieve sentimenten richting het christelijk geloof of de kerk als instituut. Integendeel, keer op keer geeft Isaac blijk van diep respect voor het christendom. Om een indruk te krijgen wat voor kwesties hij aan de orde stelt heel beknopt twee voorbeelden. Deze beknoptheid doet natuurlijk geen recht aan zijn heel zorgvuldige uitgebreide bewijsvoering. Wie daar een indruk van wil krijgen moet het boek zelf ter hand nemen. Isaac toont in ‘Jésus et Israel‘ op basis van nauwkeurige lezing van de evangeliën aan dat het overgrote deel van het Joodse volk van Jezus’ dagen op de hand van Jezus was. Het volk hing doorgaans aan zijn lippen. De gangbare opvatting dat de Joden Jezus als Messias afwezen klopt volgens Isaac niet. Zo laat hij vanuit de synoptische evangeliën zien dat Jezus zelf zijn discipelen nadrukkelijk verbiedt bekend te maken dat Hij de Messias is. Hoe had het volk dat dan kunnen weten? Een ander voorbeeld is de idee dat de Joden in het jaar 70 na de verwoesting van de tempel uit het land verdreven zouden zijn. En dat de diaspora toen begonnen zou zijn, als straf voor het niet erkennen van Jezus als Messias. Maar Isaac toont aan dat ver vóór het optreden van Jezus ongeveer de helft van alle Joden al een paar eeuwen buiten het land Israël woonden. En dat ook ná het jaar 70 nog veel Joden in Palestina zijn blijven wonen. De idee dat de diaspora in het jaar 70 begon is dus feitelijk onjuist. Isaac noemt het een ‘mythe’, bedoeld om de loop van de geschiedenis zo te duiden dat die als bewijs zou dienen voor de christelijke opvatting dat de Joden als volk hun verbondstatus hadden verspeeld ten gevolge van het afwijzen van Jezus. En daarom nu voortaan onder Gods oordeel zouden vallen. De Joodse diaspora die in het jaar 70 begonnen zou zijn, zou daar het bewijs van zijn. Isaac laat van deze lezing van de geschiedenis niets heel. Hetzelfde geldt voor de idee dat de Joden in Jeruzalem massaal de kruisiging gewild zouden hebben. Isaac toont op grond van minutieus nauwkeurige lezing van de Evangeliën aan dat ook dit idee naar het rijk der fabelen moet worden verwezen. Het was de Romeinse overheid die Jezus liet kruisigen. Een kleine met de Romeinse bezetter samenspannende Joodse machtskliek in Jeruzalem rond de hogepriester en de overpriesters stuurde aan op de kruisiging. Deze machtskliek stond destijds in een kwade reuk bij het merendeel van de Joden. De machtskliek rond de hogepriester en oversten heulde met de Romeinse bezetter en stelde zo de eigen positie veilig. De arrestatie van Jezus moest daarom in het geniep, ’s nachts gebeuren. Dit om te voorkomen dat het overgrote deel van het volk dat op de hand van Jezus was roet in het eten zou gooien. Het schijnproces tegen Jezus moest om dezelfde reden overhaast worden uitgevoerd. Isaac laat niets heel van de gangbare opvatting dat de Joden zich massaal tegen Jezus gekeerd zouden hebben. Hij besteedt maar liefst 132 pagina’s aan de eeuwenlang herhaalde aanklacht tegen de Joden dat ze Godsmoordenaars zouden. Zonder ook maar een enkel aspect buiten beschouwing te laten toont hij aan dat die aanklacht bij onbevooroordeelde nauwkeurige lezing van de Evangeliën eveneens een mythe blijkt. Een ‘christelijke’ mythe die met name in de middeleeuwen onnoemelijk veel Joods bloed heeft doen vloeien. “Dood aan de Godsmoordenaars!” Deze misvattingen hebben volgens Isaac zo diep postgevat in de christelijke theologische traditie dat ze als onaantastbare feiten een eigen leven zijn gaan leiden. Daarom noemt hij ze mythen, verhalen die de kracht hebben om een eigen realiteit te scheppen.

Catechese der verguizing

Isaac maakt met consequente zorgvuldige bewijsvoering inzichtelijk dat de christelijke theologische traditie van eeuwen doortrokken is geweest van wat hij L’enseigment du mépris’ zou gaan noemen (De catechese der verguizing’, in het Engels ‘The teaching of contempt’). Het begrip staat voor een consequent anti-Joods lezen van de Schrift en een anti-Joods duiden van de geschiedenis. Wie nu denkt dat Jules Isaac uit was op het op zijn beurt verguizen van het christendom vergist zich zeer. Het tegendeel is waar. De titel van zijn boek ‘Jésus et Israel‘ (‘Jezus en Israël’) maakt treffend duidelijk waar het hem om te doen is. Isaac wil vanuit de evangeliën zelf laten zien dat het volk Israël Jezus in zijn dagen nooit verworpen heeft en dat Jezus het Joodse volk nooit als volk verworpen heeft. Waarmee niet gezegd wil zijn dat er later, in het verdere verloop van de eerste eeuw en de eeuwen daarna geen ernstige fricties zijn ontstaan tussen de vroege kerk en het Jodendom. We zien Paulus daar al mee worstelen in Romeinen 9 tot en met 11. En dat de vroege kerk al heel vroeg, rond het jaar 100, begon met een anti-Joodse schriftuitleg is intussen genoegzaam bekend. Waarmee maar gezegd wil zijn hoe complex de hele geschiedenis van de relatie Jodendom-Christendom is. Het onderzoek daarover is nog steeds in volle gang.

Hoe moeten we de inhoud van ‘Jésus et Israel‘ nu zeventig jaar na verschijnen van het boek in 1948 waarderen? Hoe valide zijn de bevindingen en conclusies van Jules Isaac nu bijna zeventig jaar later? Is het boek wellicht in ernstige mate gedateerd intussen? Zelf heb ik het in het geheel niet als gedateerd ervaren. Integendeel. Het heeft me verbaasd en het verbaast me nog steeds dat Jules Isaac als niet theoloog in staat in staat is gebleken om een studie het licht te doen zien die zoveel analyses en conclusies bevat die later na hem door theologen van naam op dit terrein bevestigd zijn. Hij heeft de term ‘catechese der verguizing’ geïntroduceerd. Hij heeft in een indrukwekkende bewijsvoering aangetoond dat de catechese der verguizing de hele christelijke theologische traditie heeft gekleurd en bepaald. En dat ze in tegenspraak is met de Evangeliën zelf en dus in strijd met het wezen van het christendom zelf. De Evangeliën vormen immers het hart van de christelijke boodschap.
Het werk van Jules Isaac is uniek en verdient verdere bestudering. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het belang Isaacs werk tot de dag van vandaag onvoldoende wordt onderkend. Nader onderzoek van zijn werk zou de verdere ontwikkeling van een ‘catechese van respect’ ten goede kunnen komen.
Isaac is een bepalende pionier geweest die volstrekt nieuw terrein heeft verkend waar tal van theologen na hem profijt van hebben mogen trekken. Dat is een ongekende prestatie geweest voor iemand die theologie niet als vakgebied heeft. In die zin mag zijn missie meer dan geslaagd genoemd worden. Hij heeft de kerk aan het denken weten te zetten.
In de rest van dit artikel zal ik in vogelvlucht beschrijven wat de verdere rol van Jules Isaac is geweest tot aan zijn overlijden op 6 september 1963. Wie hier meer gedetailleerd over geïnformeerd wil worden verwijs ik naar de website van de onlangs opgerichte Jules Isaac Stichting, www.julesisaacstichting.org . Niet omdat het niet de moeite waard zou zijn om die laatste 18 jaar van zijn leven na 1945 uitgebreider te beschrijven, het tegendeel is waar. Maar simpelweg omdat er te veel materiaal is voor een enkel artikel.

Publicatie van ‘Jésus et Israel’ en conferentie van Seelisberg

In de loop van 1945 wordt zijn angstige vermoeden zekerheid. Zijn vrouw Laure en zijn dochter Juliette keren niet uit de kampen terug. Ze blijken vergast in Auschwitz. De klap komt heel hard aan. Isaac zou zijn boek ‘Jésus et Israel’ later opdragen aan zijn vrouw en dochter. Voor in het boek staat ‘Aan mijn vrouw, aan mijn dochter, vermoord door de nazi’s van Hitler, vermoord simpelweg omdat ze Isaac heetten’. Zijn beide zonen hebben de oorlog gelukkig wel overleefd. In 1946 legt hij de laatste hand aan ‘Jésus et Israel‘. Die laatste loodjes wegen heel erg zwaar. De oorlog en het persoonlijk leed eisen hun tol, Isaac is dan 68, zijn gezondheid is slecht, hij moet dringend geopereerd worden. Over de maanden dat hij zijn boek voltooit schrijft hij: “ Het was een ware race tegen de klok want de ziekte en de wanhoop putten me uit. Ik wist mijn kopij te overhandigen aan de uitgever en mijn lichaam aan de chirurg.” ‘Jésus et Israel‘ verschijnt in 1948 en trekt direct veel aandacht in Frankrijk en Italië. Men is verbaasd dat de bekende historicus met een theologisch boek voor de dag komt. En wat voor een boek! Geheel volgens verwachting variëren reacties van boos en negatief tot heel positief en alles daartussenin. Het is een boek waar niemand omheen kan en dat debat uitlokt.
Isaac herstelt goed na zijn operatie en neemt in 1947 het initiatief tot het vormen van L’Amitié judéo-chrétienne, een groep van christelijke en Joodse Franse denkers. Doel is vooral het uit de wereld helpen van verkeerde denkbeelden van christenen over het Jodendom en van Joden over het christendom. Deze agenda typeert Jules Isaac ten voeten uit. Hij wil vooruit, werken aan een nieuwe verhouding tussen Jodendom en Christendom. Een verhouding van wederzijds respect, een catechese van respect in plaats van een catechese der verguizing. Zijn doel is het scheppen van een nieuwe realiteit waarin zoiets als een Holocaust niet meer mogelijk zal zijn. Hij weet dat dan de kerkelijke wissels om moeten. En hij weet dat dat beslist niet vanzelf zal gaan. Het zou hem tot twee maal toe bewegen een audiëntie bij de paus aan te vragen. Beide keren wordt dat verzoek gehonoreerd.
Isaac besluit ‘Jésus et Israel‘ met achttien stellingen. Achttien stellingen die evenzovele aanzetten zijn voor een ‘catechese van respect’.
Helaas zijn er veel tekenen dat het antisemitisme na het beëindigen van de oorlog nog verre van dood is. In Polen breken na 1945 nog diverse pogroms uit waarbij opnieuw tientallen Joden vermoord worden. In Duitsland worden Joodse begraafplaatsen vernield. Joden en christenen zijn gealarmeerd. Als antwoord hierop wordt in 1947 een internationale conferentie belegd in het Zwitserse Seelisberg. Zo’n zeventig Joodse, protestante en katholieke theologen en geestelijke leiders buigen zich samen over de vraag wat er gedaan moet worden. Men stelt de tien punten van Seelisberg op. Bij het samenstellen van dit manifest spelen de achttien stellingen van Isaac een belangrijke rol. Onder de deelnemers is naast Isaac zelf ook de opperrabbijn van Frankrijk. Hoofddoel is het bespreken van de oorzaken van het antisemitisme en plannen om het effectief te bestrijden. Er worden vijf werkgroepen gevormd. De derde wordt als de allerbelangrijkste gezien en heeft de moeilijkste opdracht: werken aan de revisie van de kerkelijke leer over de Joden, van een catechese van verguizing naar een catechese van respect. Jules Isaac maakt deel uit van deze werkgroep. De tien punten van Seelisberg en de inzet van deze werkgroepen hebben een grote rol gespeeld in de Joods-Christelijke dialoog die in de decennia erna een steeds grotere vlucht zou gaan nemen. Ook voor de wordingsgeschiedenis van Nostra Aetate is de rol van Seelisberg groot geweest.

De paus die 24.000 Joden helpt ontsnappen

Jules Isaac gaat in 1949 op audiëntie bij paus Pius XII. Hij wijst hem op enkele anti-Joodse formuleringen in de katholieke liturgie en vraagt de paus die te laten wijzigen. Later zou het Vaticaan dat verzoek inwilligen. Intussen gaat het debat over zijn boek door. Hij krijgt regelmatig de kritiek dat antisemitisme ook al voorkwam voordat er van christendom sprake was. Dat is hem natuurlijk niet onbekend. Maar Isaac is ervan overtuigd dat de religieus geïnspireerde anti-Joodse leer van de kerk van een heel andere orde is dan het slechts incidenteel voorkomende antisemitisme in de klassieke oudheid. Het christelijk antijudaïsme was veel constanter en invloedrijker, en daarom veel gevaarlijker. Begin jaren vijftig werkt hij aan een nieuw boek dat het antisemitisme in de oudheid in kaart brengt. In hetzelfde boek bespreekt hij de geschiedenis van het Europese antisemitisme. Hij laat hij zien wat de fundamentele verschillen tussen beide zijn. Het aan het christendom gerelateerde antisemitisme is veel ingrijpender en hardnekkiger geweest. Dit boek verschijnt in 1956 onder de titel ‘Genèse de l ‘Antisemitisme’ (‘Ontstaan van het Antisemitisme’). Het is wederom een grondige studie.
15 December 1959 geeft Jules Isaac een lezing aan Universiteit de Sorbonne in Parijs. De titel luidt ‘Heeft antisemitisme wortels in het Christendom?’ De lezing wordt in het Frans en Engels uitgegeven. De impact is opnieuw groot. Isaac is dan al ruim vijftien jaar bijna non-stop bezig om de Kerk te bewegen tot een radicaal en definitief afstand nemen van de catechese der verguizing. Hij is nu 82 jaar oud en beseft dat hij niet zoveel jaren meer heeft. Hij ziet dat individuele kerkleiders en theologen wel gehoor geven. Maar hij weet dat dit niet genoeg zal zijn om een bijna 2000 jaar oude theologische traditie definitief om te buigen. Om dat te realiseren zal het roer om moeten op het hoogste kerkelijke niveau. Hij neemt zich voor om opnieuw een audiëntie bij de paus aan te vragen. Er is intussen een nieuwe paus aangetreden, Johannes XXIII. Deze paus heeft een jaar eerder de kerk opgeroepen tot een tweede Vaticaans Concilie. Johannes XXIII is uit een heel ander hout gesneden dan zijn voorganger Pius XII. Jules Isaac weet dat de nieuwe paus de Joden een warm hart toedraagt. Johannes XXIII was tijdens de oorlogsjaren als pauselijk gezant gestationeerd in Istanboel. Daar heeft hij er alles aan gedaan om zoveel mogelijk Joden te helpen ontsnappen van de Balkan naar Palestina. Turkije was tijdens de oorlogsjaren de enige mogelijke ontsnappingsroute voor Oost-Europese Joden. Gedurende de Tweede Wereldoorlog maakte Angelo Roncalli, zijn eigenlijke naam, gebruik van zijn positie als pauselijk gezant om zoveel mogelijk Joden te redden. In totaal heeft hij ruim 24.000 Joden aan reisdocumenten, voedsel en kleding geholpen. Hij werkte hiervoor samen met Haim Barlas, vertegenwoordiger van de Jewish Agency in Istanboel. Ook had hij contacten met Isaac Herzog, de opperrabbijn van Jeruzalem en met de koning van Bulgarije die veel Slowaakse Joden uit Bulgarije heeft helpen ontsnappen naar Turkije. Maar Roncalli was altijd gefrustreerd gebleven dat hij niet veel meer voor de Joden had kunnen doen. En nu was deze man dus paus geworden. Een van de eerste dingen die de nieuwe paus doet is het radicaal schrappen van nog resterende eeuwenoude negatieve formuleringen over Joden in de Rooms Katholieke liturgie.

Twintig minuten veranderen de loop van de geschiedenis

Jules Isaac vraagt een audiëntie aan, vrienden helpen hem in het leggen van het contact met het Vaticaan. De Franse ambassadeur schiet ook te hulp, het verzoek wordt direct ingewilligd. Isaac reist per trein af naar Rome en verblijft daar van 9 tot 17 juni 1960. Voorafgaand aan de audiëntie met de paus op 13 juni heeft hij nog ontmoetingen met de Franse en de Israëlische ambassadeur. Isaac heeft zich grondig voorbereid, laat niets aan het toeval over. Hij heeft een dossier samengesteld dat hij aan de paus zal overhandigen. Daarin diverse voorbeelden van de anti-Joodse mythen in de christelijke traditie. En ook een stuk over de catechismus van het Concilie van Trente dat plaatsvond van 1545 tot 1563. In die catechismus leerde de kerk dat niet de Joden schuldig zijn aan de kruisiging van Jezus maar de hele mensheid. Dat Jezus stierf vanwege de zonden van heel de wereld. Deze oude catechismus is een zeldzame afwijkende stem in de geschiedenis van de Rooms Katholieke Kerk. Isaac zal ook dit opmerkelijke document onder aandacht van de paus brengen. In de vergeten catechismus leerde de kerk dus zelf dat de Joden niet schuldig zijn aan de dood van Jezus, dat ze geen ‘Godsmoordenaars’ zijn.
De audiëntie vindt plaats op maandag 13 juni. Ze duurt twintig minuten. Isaac schrijft erover dat de paus de eenvoud zelf is, geen uiterlijk vertoon, toegankelijk en warm, lacht spontaan. Hij straalt een goedheid uit die vertrouwen wekt. De paus vertelt Isaac over zijn intense belangstelling voor het Oude Testament, de Psalmen, de profeten. Het gesprek verloopt in ontspannen sfeer. Intussen zoekt Isaac naar een manier om het gesprek op zijn onderwerp te krijgen. Hij vertelt de Paus hoe bemoedigd de Joden zijn over wat hij tot nu toe al zo spontaan aan goede maatregelen voor het volk van het Oude Testament genomen heeft. “Als we nu nog meer van deze paus verwachten vanwege zijn reeds betoonde goedheid, is hij daar dan niet zelf verantwoordelijk voor ?” De paus moet lachen als hij dit hoort. Dan maakt Isaac zijn punt. Hij zegt dat hij een verzoek heeft aan de paus in verband met de leer van de kerk, de historische basis ervan. Isaac zegt de paus dat er weliswaar een tegenstroom tegen de catechese der verguizing op gang is gekomen die steeds sterker wordt. Maar dat recent onderzoek heeft uitgewezen dat ze nog steeds zeer invloedrijk is. Dat om deze oude leer definitief te overwinnen, de kerk op het allerhoogste niveau van het komende concilie de catechese der verguizing zal moeten veroordelen als in wezen antichristelijk. Dan overhandigt hij zijn stukken en stelt de paus voor om een officiële theologische werkgroep in het leven te roepen die de kwestie in het kader van het komende concilie gaat bestuderen. ‘”Daar heb ik vanaf het begin van ons gesprek aan zitten denken.” is de spontane reactie van de paus. Maar dan zit de tijd erop. Isaac zegt de paus hoe dankbaar hij is voor het warme welkom en vraagt dan of hij met enige hoop naar huis kan gaan. De paus roept uit “ Je hebt recht op meer dan hoop” en hij belooft dat hij alles zal doen wat in zijn vermogen ligt om het verzoek van Isaac te honoreren.
Johannes XXIII heeft woord gehouden. Enkele maanden later geeft hij de Duitse kardinaal Augustin Bea, een zeer knap theoloog, oudtestamenticus en iemand met een intense en warme belangstelling voor het hedendaagse Jodendom, de opdracht om de werkgroep te gaan samenstellen en leiden. Bea volvoert deze opdracht met grote kundigheid, stuurmanskunst en volharding. Vijf jaar later, 28 oktober 1965 gaat de wens van Jules Isaac in vervulling. Nostra Aetate is dan een feit. De catechese der verguizing wordt op het allerhoogste niveau door de Rooms Katholieke Kerk herroepen. Jules Isaac en paus Johannes XXIII zouden dit zelf niet meer meemaken. Beiden overleden in 1963. Maar een nieuwe hoop was geboren. Een nieuwe geschiedenis is begonnen in de relatie van de kerk met het Joodse volk. De catechese der verguizing heeft haar langste tijd gehad. Aan een catechese van respect wordt op tal van plekken in deze wereld gewerkt. Maar de grote klus is nog niet geklaard. Dat kan ook niet binnen vijftig jaar. Er is nog werk aan de winkel. ‘Never a dull moment’ voor wakkere theologen…

Naschrift: Helaas zijn het boek ‘Jésus et Israel’ en de latere Engelse vertaling ‘Jesus and Israel‘ niet meer nieuw verkrijgbaar. Tweedehands exemplaren zijn op internet wel te vinden maar vaak tegen tamelijk forse prijzen. De onlangs opgerichte Jules Isaac Stichting is in gesprek met een Amerikaanse uitgever om ‘Jesus and Israel‘ opnieuw op de markt brengen. Op moment van schrijven van dit artikel is helaas nog niet bekend of dit lukken gaat.
Van het boek ‘The Teaching of Contempt‘ is in de zestiger jaren een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel ‘De Katechese der Verguizing‘. Dit boek is nog in zeer beperkte aantallen tweedehands verkrijgbaar. De oorspronkelijke Franse uitgave van dit boek, ‘L’Enseignment du Mépris‘ is gelukkig nog wel nieuw verkrijgbaar.
De onlangs opgerichte Jules Isaac Stichting heeft een eigen website: www.julesisaacstichting.org. Daarop vindt u informatie over aard en doel van deze nieuwe stichting.