De God van Israël en de christelijke theologie – deel 1

Naar aanleiding van het gelijknamige boek van R. Kendall Soulen

Door: J. Bol

Ruim vier jaar geleden werd me pas voor het eerst duidelijk hoe ernstig de geschiedenis van het christendom belast is met antijudaïsme. Sindsdien hebben de anti-Joodse theologie van de vroege kerk, de anti-Joodse wetgeving sinds keizer Constantijn en de vele moordpartijen onder Joden sinds de kruistochten enorme vragen bij me opgeroepen. De meest dringende was hoe dit alles te rijmen met het evangelie van vergeving en naastenliefde dat me sinds jaren zo dierbaar is geworden. Het moge duidelijk zijn dat het niet te rijmen valt. De ontstaansgeschiedenis van de vervangingstheologie is onlosmakelijk verbonden met het antijudaïsme van de vroege kerk. En wat te denken van de gereformeerde theologie die me ook al heel lang dierbaar is? Het werd me na veel studie duidelijk dat ook deze traditie getekend is door de vervangingstheologie die teruggaat op de vroege kerkvaders Justinus en Irenaeus. Een vervangingstheologie die uiteindelijk haar definitieve beslag kreeg onder de kerkvader der kerkvaders, Augustinus.

Dit waren voor mij uiterst schokkende ontdekkingen. Wat was er in vredesnaam mis met dat prachtige Evangelie dat zo overduidelijk mijn eigen leven jaren geleden na een diepe persoonlijke crisis zo evident positief weer op de rails had gezet? Of was er niets mis met het Evangelie maar veel met wat de kerk door de eeuwen heen van dat Evangelie had gemaakt? Vragen te over!

Op zoek naar alternatief

Naarstig en bij tijden bijna wanhopig ging ik op zoek naar een theologisch model dat voor mij aan drie voorwaarden moest voldoen. Ten eerste moest het radicaal ontdaan zijn van iedere vorm van vervangingstheologie. Of tenminste moest het getuigen van de de intentie zich hier radicaal van te willen ontdoen. Ten tweede moest het evangelie van Jezus Christus, het evangelie van het koninkrijk Gods, in dit model blijven schitteren. Ten derde moesten de kroonjuwelen van de klassieke theologie voor zover die de toets van de Schrift kunnen doorstaan, in de nieuw te formuleren theologie voluit overeind blijven. Ik denk dan onder meer aan de incarnatie van Jezus, de triniteit en de overtuiging dat het Evangelie voor Jood en Griek is. Een dergelijk theologisch ontwerp bleek zeer lastig te vinden. Uiteindelijk stuitte ik na veel speurwerk op een boek van de Amerikaanse systematische theoloog R. Kendall Soulen, ‘ The God of Israël and Christian Theology‘. Soulen promoveerde begin jaren negentig met deze studie aan de bekende universiteit van Yale in de V.S. In 1996 verscheen zijn analyse van de vervangingstheologie in boekvorm. Dit boek is werkelijk een goudmijn voor wie naarstig op zoek is naar een theologie die zich radicaal heeft weten te ontdoen van de vervangingstheologie en tegelijk zo dicht mogelijk bij het klassieke belijden beoogt te blijven. Kan dat? Ja, dat blijkt te kunnen. Gode zij dank! Dit intussen door zowel Christelijke als Joodse auteurs veelvuldig geprezen boek beantwoordt mijns inziens geheel aan de drie hierboven genoemde criteria.

Theologisch argument doorslaggevend

Soulens diepgravende theologische analyse van de vervangingstheologie is naar mijn stellige overtuiging de meest grondige ooit. Zijn kennis van de historische theologie is indrukwekkend. Zijn theologische analyse van de vervangingstheologie in de historische context van haar ontstaansgeschiedenis in de vroege kerk is knap en gebalanceerd. Soulen houdt zich in zijn analyse van de ontstaansgeschiedenis van het christelijke antijudaïsme steevast zover mogelijk van de bekende polemiek naar aanleiding van de Shoah. Overigens miskent Soulen geenszins het verband van de Shoah met de traditie van de ‘ catechese der verguizing’. Maar hij kiest er bewust voor om zijn argumentatie te bouwen op louter theologische argumenten. De term

‘catechese der verguizing’ (‘ teaching of contempt’ ) stamt van de Franse Joodse historicus Jules Isaäc. Isaäc is vooral bekend geworden door zijn boek ‘Jesus et Israel’ ( ‘Jezus en Israël’) dat in 1948 verscheen. Jules Isaäc begon met het schrijven van dit invloedrijke meesterwerk tijdens de Tweede Wereldoorlog terwijl hij zat ondergedoken in Frankrijk. Het begrip ‘catechese der verguizing’ is nauw verwant met de klassieke vervangingstheologie.

Het volgende citaat zet de toon voor Soulens hele boek: “Zeker, men kan vervangingstheologie onder kritiek stellen op niet specifiek theologische gronden. Men zou bijvoorbeeld kunnen stellen dat vervangingstheologie problematisch is op psychologische gronden omdat ze haatgevoelens jegens en verachting van Joden bevordert. Maar zelfs als men zou kunnen bewijzen dat dergelijke beweringen onjuist zijn, dan zou vervangingstheologie nog steeds problematisch blijven op theologische gronden. Wanneer christenen in onze tijd bezig zijn hun traditionele theologische standpunten ten opzichte van het Joodse volk opnieuw te doordenken, dient dat te gebeuren vanuit de vaste overtuiging dat ze door dit te doen op een meer waarachtige wijze hun trouw bewijzen aan de God die ze dienen en belijden. Hiermee bezig zijn louter vanuit een verlangen om de ander niet voor het hoofd te willen stoten of vanuit de motivatie om ‘ theologisch zaken te willen repareren’ zal niets wezenlijks bijdragen aan een werkelijke verandering in de christelijk praktijk, en op de langere termijn zal het enkel bijdragen aan cynisme en teleurstelling, Alleen wanneer de erkenning van de theologische ontoereikendheid van de vervangingstheologie in het centrum staat van de nieuwe houding van de kerk ten opzichte van het Joodse volk, alleen dan is er werkelijk grond voor een vernieuwing van de christelijke theologie en het christelijke leven.“ (pag.5).

Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste gedeelte bespreekt Soulen de ontstaansgeschiedenis van de vervangingstheologie (‘supersessionism’) in de vroege kerk. Met name de rol van de kerkvaders Justinus en Irenaeus wordt grondig besproken. Soulen ziet deze twee vroege theologen terecht als de grondleggers van de vervangingstheologie. Vervolgens beschrijft hij de verdere ontwikkelingsgang en uitwerking van de vervangingstheologie bij een viertal representatieve sleutelfiguren in het latere christendom: Kant en Schleiermacher, en Karl Barth en Karl Rahner. Soulens agenda is meervoudig. Hij zet niet alleen uiteen waarom de vervangingstheologie theologisch onhoudbaar is en de relatie van de kerk met de synagoge voor eeuwen ernstig heeft geproblematiseerd. Hij toont ook aan dat de vroege en nagenoeg volledige breuk met het jodendom de kerk zelf in belangrijke mate heeft verzwakt en geschaad. Met andere woorden: volgens Soulen zal de kerk er slechts bij winnen wanneer ze zich zal weten te ontdoen van de diep ingrijpende 1800 jaar oude theologische erfenis van de vervangingstheologie. Het valt op dat Soulen zich wat dit laatste punt betreft regelmatig beroept op Dietrich Bonhoeffer.

Worsteling met de levende God

Het is onmogelijk om heel Soulens boek te bespreken binnen het bestek van dit artikel. En dit des te meer omdat het boek zeer compact is geschreven. Voor een boek van nog geen 200 pagina’s bevat het een ongewone rijkdom aan nieuwe inzichten en scherpzinnige observaties. Ik beperk me dan ook tot enkele van zijn hoofdgedachten.

Soulen begint zijn boek met vast te stellen dat de christelijke theologie vanaf haar allereerste begin met de verbijsterend complexe moeilijkheid te maken heeft gehad dat ze de God van Israël belijdt terwijl datzelfde Israël het evangelie van Jezus niet blijkt aan te nemen. Dat spanningsveld loste de vroege kerk al heel snel op door te leren dat zijzelf nu het nieuwe geestelijk Israël was. Zie daar de geboorte van de vervangingstheologie: de kerk heeft de plaats van Israël ingenomen. Het Joodse volk diende nu voortaan hoofdzakelijk om het gelijk van de christelijke theologie te staven: ‘kijk wat er met een volk gebeurt dat het evangelie van Jezus niet aanvaardt. Dat gaat verdoemd door God door het leven.’ Dat was ruim 1800 jaar de leer en de praxis van de kerk, totdat deze theologische boze droom kapot spatte op de ontstellende realiteit van de Shoah. Daarnaast zette ook de stichting van de staat Israël grote vraagtekens bij de aloude vervangingsleer.

Soulen beschrijft dan hoe de armoede van de klassieke vervangingstheologie na de Holocaust niet meer te verbergen viel: de christenen konden niet anders dan het verband tussen hun vervangingstheologie en dit duivelse drama erkennen. Dat gebeurde dan ook in toenemende mate in de decennia na de Shoah.

Ik citeer Soulen: “Veel kerken onderzochten na bijna 2000 jaar opnieuw de vervangingsleer en hebben intussen publiekelijk beleden dat trouw aan het evangelie de verwerping van de vervangingsleer en bevestiging van Gods ononderbroken trouw aan het Joodse volk vereist. Maar in plaats dat deze belijdenis de relatie van de kerk met de God van Israël tot een nieuw evenwicht bracht, heeft ze de kerk een aantal nieuwe lastige vraagstukken opgeleverd waarvan de consequenties nog niet werkelijk te overzien zijn. Want de verwerping van de vervangingsleer draagt onvermijdelijk ver reikende implicaties met zich mee voor alle onderdelen van de christelijke theologie. En de volle reikwijdte van deze implicaties is bij lange na nog niet duidelijk. Maar dit soort verbijsterende moeilijkheden dragen de belofte van zegen in zich, want ze komen voort uit een worsteling met de levende God.” ( pag. X )

Onopgeefbaar verbonden. En dan?

Met deze laatste opmerkingen snijdt Soulen een cruciaal punt aan. Elders stelt hij dat de vervangingsleer ( ‘supersessionism’ ) deel uitmaakt van wat hij noemt de ‘deep grammar’ van de klassieke theologie. (pag.16) Met andere woorden: wanneer je afstand gaat nemen van de vervangingsleer, raak je aan iets dat de klassieke theologie tot in de haarvaten heeft gekleurd. Je bent er dus niet door te stellen dat je als kerk de vervangingstheologie als zijnde niet bijbels afwijst. Of dichter bij huis:’Dat je als kerk onopgeefbaar verbonden bent met het volk Israël’. Dat is een cruciale stap, maar tegelijk een stap die volgens Soulen onvermijdelijk een nieuwe bezinning op het geheel van de klassieke theologie vraagt. Het valt te begrijpen dat velen voor deze stap terugschrikken. Maar sinds het duidelijke, zij het indirecte, verband tussen de vervangingstheologie en de Shoah door een scala aan theologen, historici en filosofen onweerlegbaar aan het licht is gebracht, is er voor kerk en theologie in feite geen weg meer terug. Theologiseren zonder de Shoah in rekening te brengen is net zo iets als astronomie bedrijven en tegelijk Copernicus negeren. Overigens is het geen wonder dat er na pakweg vijftig jaar postholocaust theologie nog geen breed gedragen nieuwe consensus is ontstaan over de relatie Kerk-Israël en de verdere implicaties voor het geheel van de (systematische) theologie. Een theologische traditie van ruim 1800 jaar antijudaistische exegese en dogmatiek reviseer je niet even binnen een tijdsbestek van vijftig jaar. En een nieuwe breed gedragen consensus hierover bereiken is nog weer een stap verder. En dat is exact de situatie waar we voortdurend mee te maken hebben en waar we in ons land pijnlijk eigen en andermans theologische neus tegen stoten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de discussie binnen PKN gelederen over wat ‘Onopgeefbaar Verbonden’ nu heel concreet inhoudt en welke nadere uitwerking dit kerkelijk belijden zou moeten hebben. We bevinden ons mondiaal als kerk en theologie momenteel midden in een theologische verbouwing waar het de relatie kerk-Israel betreft. Tijdens een verbouwing is het altijd lastig zaken doen en dat geldt helemaal voor een Europese kerk die haar handen al meer dan vol heeft aan de enorme aanslag van secularisatie en kerkverlating. Dat zijn niet bepaald de ideale omstandigheden voor een ingrijpende verbouwing van het leerstellig huis. Het is tamelijk ontstellend te moeten constateren dat de belangstelling voor deze verbouwing de afgelopen twintig jaar in theologisch Nederland sterk is afgenomen. Het is niet toevallig dat hier in de V.S. momenteel veel harder aan wordt gewerkt. De V.S. kent nog steeds zowel een vitaal christendom als een vitaal jodendom. Beide zijn stevig vertegenwoordigd op leerstoelen aan diverse Amerikaanse universiteiten. Voor veelbelovende vernieuwende theologie rond Kerk-Israël moet je momenteel dan ook vooral daar zijn.

Hernieuwde bekering tot de God van Israël

Achttien eeuwen theologie heeft Gods weg met het volk Israël tot de dag van vandaag geen substantiële plaats weten te geven in de grote belijdenissen, de dogmatieken en dus ook niet in de gangbare catechese. Dat is de beroerde erfenis waar we mee te maken hebben. Iets wezenlijks bijdragen aan het herstel van dit funeste theologische manco is een van de grote drijfveren van Soulen bij het schrijven van zijn boek. Soulen verwoordt het als volgt: “ Dit boek is een poging om het scala aan implicaties te doordenken van de nieuwe houding van de kerk ten opzichte van de God van Israël en het Joodse volk. Het boek neemt de verwerping van de vervangingstheologie door hedendaagse kerken als uitgangspunt en stelt vervolgens twee vragen: hoe diep is de vervangingsleer verstrengeld met het traditionele bouwwerk van de theologie? En hoe kunnen christenen hun Bijbel lezen en hun meest diepe overtuigingen verwoorden op manieren die vrij zijn van de vervangingsgedachte? Kortom, hoe kunnen christenen echt christen zijn zonder triomfalisme ten opzichte van Joden?

Op een ander niveau echter beoogt dit boek een meeromvattende bezinning op gang te brengen over de God van Israël en christelijke theologie in onze tijd, een tijd die door sommigen gekarakteriseerd wordt als ‘ postchristelijk’. Het boek betoogt dat de integriteit van christelijke theologie in dit tijdsgewricht een hernieuwde bekering vereist tot de God van Israël, en wel tot in de basisuitgangspunten van het christelijke denken. Ik beweer dat een dergelijke bekering noodzakelijk is vanwege het feit dat christelijke theologie in zijn dominante klassieke en moderne gedaanten in wezen een onvolledige bekering belichaamt tot de levende God, de God van Abraham, Isaäk en Jacob. De cruciale kenmerken van van deze incomplete bekering zijn een triomfalistische houding ten opzichte van het Joodse volk en een latent gnostische kijk op Gods betrokkenheid met het hele terrein van de geschiedenis van de mensheid.” ( pag. X)

Coherentie christelijk geloof

Zoals gezegd bestaat Soulens boek uit twee hoofdgedeelten: zijn analyse van de onhoudbaarheid van de vervangingstheologie op theologische gronden en zijn voorstellen voor een bijbels verantwoord theologisch alternatief. In het volgende citaat licht Soulen dit nader toe en

noemt hij een van de vier belangrijke uitgangspunten die hij hanteert bij zijn bespreking van de vervangingstheologie. Soulen: “Dit boek neemt als uitgangspunt dat een aanzienlijk aantal kerkgenootschappen tegenwoordig de vervangingsgedachte verwerpen en Gods trouw aan het Joodse volk onderschrijven. Vervolgens stellen we de vraag: wat zijn de implicaties hiervan voor de rest van de christelijke theologie? Deel een betoogt dat de vervangingsgedachte de narratieve en leerstellige structuur van de klassieke theologie fundamenteel en systematisch heeft gevormd en bepaald. De verwerping van de vervangingsgedachte maakt dus het opnieuw doordenken van het geheel van de klassieke theologie noodzakelijk. Deel twee doet een voorstel voor een manier waarop christenen een nieuw ontwerp kunnen maken voor de samenhang van het geheel van de christelijke theologie dat vrij is van de vervangingsgedachte en toch strookt met het centrum van de christelijke belijdenis – ‘De God van de Hebreeuwse geschriften is in Jezus van Nazareth reddend opgetreden voor heel de wereld’. Mijn verhandeling over het probleem van de vervangingsgedachte en christelijke theologie wordt bepaald door vier centrale uitgangspunten. Ten eerste, de vervangingsgedachte leidt tot een aantal specifieke theologische problemen met betrekking tot de waarheid en de coherentie van het christelijk geloof en moet om die reden worden behandeld op het niveau van systematische theologische doordenking.” (pag.3-4)

De God van Israël

Soulen spreekt in bovenstaand citaat over ‘vier centrale uitgangspunten’. Het bespreken van alle vier is ondoenlijk binnen het bestek van dit ene artikel.

Ik heb ervoor gekozen om op zijn eerste uitgangspunt in te zoomen omdat dit de mogelijkheid biedt enkele van zijn grondgedachten voor het voetlicht te brengen. Op pagina 4 van zijn boek licht Soulen zijn eerste uitgangspunt verder als volgt toe: “ Kort gezegd is de vervangingstheologie met name een theologisch probleem omdat ze het bestaan van het Joodse volk dreigt te maken tot iets wat voor de God van Israël niet van wezenlijk belang is. En juist daarom introduceert de vervangingsgedachte een diep ingrijpend gebrek aan samenhang in het hart van het christelijk theologisch denken over God. Misschien is het mogelijk je een god voor te stellen voor wie het bestaan van het Joodse volk er niet toe doet, maar het is onmogelijk om je de God van de Hebreeuwse geschriften ( het O.T. ), de God van Israël op die wijze voor te stellen. Wanneer christenen desalniettemin claimen dat ze de God van Israël belijden en tegelijk leren dat God onverschillig staat ten opzichte van het wel en wee van het volk Israël, dan zijn die christenen betrokken in een enorme theologische tegenstrijdigheid. Bovendien maken ze zo de geloofwaardigheid van de christelijke belijdenis zelf tot een twijfelachtige zaak. Want wanneer de God van Israël uiteindelijk onverschillig staat ten opzichte van het lijfelijk (voort)bestaan van het Joodse volk, hoe serieus kan men dan eigenlijk de opstanding van Jezus uit de doden nog nemen? Wanneer de God van Israël midden in de wereldgeschiedenis een heil verordonneert dat het voortbestaan van het Joodse volk vervolgens verder irrelevant maakt, op grond waarvan kan men dan verwachting hebben dat dit heil wel de kracht zal hebben om uiteindelijk de wonden van héél de mensheid te helen?” (pag. 4)

In dit citaat wil Soulen duidelijk maken dat de God die de christenen belijden altijd tevens de God van Israël is. En dan doelt hij nadrukkelijk niet alleen op het Israël uit het O.T. maar op het Israël van alle tijden, dus ook het Joodse volk van vandaag. Soulen stelt dan dat een relatie met de God van Israël onvermijdelijk een relatie met het, ook nu levende, Joodse volk impliceert. Zoals te verwachten haalt Soulen in dit verband het eeuwige verbond van God met Abraham uit Genesis 12, 15 en 17 aan en natuurlijk ook Romeinen 11:29: ‘ Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk’.

Het verhaal van de kerk

In Soulens bespreking van de vervangingstheologie neemt het begrip ‘ canonical narrative’ een zeer belangrijke plaats in. Hij stelt dat, willen we de erfenis van de vervangingsleer in de christelijke theologie uiteindelijk na 1800 jaar te boven komen, het van het allergrootste belang is oog te krijgen voor de sleutelrol van wat hij de ‘canonical narrative’ noemt. Soulen geeft de volgende definitie van dit begrip: “Een canonical narrative is een interpretatief hulpmiddel dat voorziet in een schema, een kader aan de hand waarvan men de christelijke Bijbel kan lezen als een theologische en narratieve eenheid.” (pag. 13) Aan het begrip ‘canonical narrative’ ligt de gedachte ten grondslag dat de canon van O.T. en N.T. niet vanzelf een coherent verhaal oplevert. De canon bestaat immers uit 66 afzonderlijke boeken. Het grote verhaal van Gods heilsplan voor Israël en de volken moet dus worden geformuleerd op basis van en in harmonie met deze canonieke geschriften. Er moet een geloofwaardige verhaallijn worden gevonden in deze reeks van 66 boeken. De canon vraagt in die zin dus om interpretatie of nog beter: om een verhaal. Het was aan de vroege kerk om dit ‘verhaal’ te construeren. De vroege kerk stond voor twee grote uitdagingen. Ze moest zich als nieuwkomer enerzijds zien te positioneren ten opzichte van de heidenen, de synagoge en de Gnostici. Anderzijds moest ze voor zichzelf vaststellen wat het precieze verband is tussen de Hebreeuwse geschriften van de Joden, het O.T. en haar eigen apostolische geschriften, het N.T. De canonical narrative die de vroege kerk formuleerde, laat een fundamentele keuze zien hoe men toentertijd besloot dat de twee hoofdbestanddelen van de canon, O.T. en N.T. samenhangen en samen één boek vormen, onze Bijbel.

Vier basiselementen

Soulen: “Een canonical narrative laat zien hoe deze tweevoudige canon samenhangt als één getuigenis van de kernbelijdenis van het christelijk geloof: de God van Israël is reddend opgetreden in Jezus Christus voor heel de wereld.” (pag.13)

Te midden van het krachtenveld van de tweede eeuw moest de jonge kerk dit eigen verhaal van het Evangelie van Jezus Christus overtuigend weten neer te zetten. En dat verhaal moest op geloofwaardige wijze gelinkt zijn aan de met de Joden gedeelde heilige tekst van de God van Israël, het O.T. De God van Jezus is immers de God ook de God van Israël. De ‘canonical narrative’ is het basisschema waarmee men Gods grote heilsplan in kaart bracht. Het is de plot die christenen in staat stelde om de veelheid aan bijbelse verhalen te kunnen lezen in een begrijpelijk en consistent onderling verband.

Soulen stelt dan dat de ‘narrative’ die de vroege kerk bij monde van de kerkvader Irenaeus formuleerde uit vier basiselementen bestaat: Gods Schepping, de Zondeval, de Komst van Jezus en het Ontstaan van de Kerk en de Voleinding. De eerste twee beslaan samen Genesis 1 t/m 3. De komst van Jezus en de kerk vinden we vanaf Matt.1 en de voleinding treffen we aan in de laatste hoofdstukken van Openbaring. Vervolgens maakt Soulen een cruciale observatie: de hele geschiedenis van God met het volk Israël van Genesis 12 tot en met Maleachi verdwijnt in deze ‘narrative’ geheel naar de achtergrond. De narrative van de vroege kerk is het grote verhaal van Gods heilsplan voor heel de mensheid en heel de schepping. Gods specifieke weg met Israël, ongeveer het complete Oude Testament, verdwijnt in deze narrative naar de achtergrond. Het dient slecht als voorbereiding op de komst van Jezus de Messias. Na Jezus’ komst en het ontstaan van de kerk is de rol van Israël in feite uitgespeeld. Centraal staat nu verder Gods grote verlossingsplan voor heel de wereld, voor Jood en Griek. Deze ‘narrative’ of verhaallijn bleek bij uitstek geschikt om de toenmalige heidense wereld met groot succes missionair te bewerken.

Structurele vervangingstheologie

Deze hoofdlijn van schepping, zondeval, verlossing en voleinding vinden we volgens Soulen terug in alle belangrijke klassieke belijdenissen, in talloze dogmatieken en in nagenoeg al het catechesemateriaal. Dit is inderdaad heel herkenbaar en de gevolgen zijn overal te vinden. In tal van christelijke publicaties wordt het Joodse volk steevast over het hoofd gezien, tot de dag van vandaag.

Soulen onderscheidt drie vormen van vervangingstheologie: economische, bestraffende en structurele. De economische variant leert eenvoudig dat Israëls voorbereidende rol in Gods grote heilsplan is uitgespeeld bij de komst van Jezus en de kerk. De straffende variant leert dat Israël buiten het verbond is gevallen omdat het Jezus niet als Messias had aanvaard en zelfs gedood (deïcide). Het (nieuwe) verbond is daarom nu op het nieuwe Israël overgegaan, de kerk. Deze twee varianten zijn genoegzaam bekend.

Maar volgens Soulen heeft de variant van de structurele vervangingstheologie veruit de diepste voren getrokken in de klassieke theologie vanaf Irenaeus (200) tot pakweg 1950.

Soulen: “Om zicht te krijgen op het vervangingsdenken als een structureel probleem moeten we het volgende gaan begrijpen. De standaard ‘canonical narrative’ draait om vier hoofdperiodes: Gods voornemen om het eerste ouderpaar dat Hij schiep tot voleinding te brengen, de zondeval, de incarnatie van Christus en het begin van de kerk en de voleinding van heel de schepping. Deze vier sleutelperiodes spelen een unieke en hoogst belangrijke rol in het standaardmodel van de klassieke theologie. Tezamen vormen ze de plot van het grote verhaal. Ze verhalen hoe God zich als Voleinder en Verlosser bezig houdt met met de mensheid die Hij schiep, op een wijze die zowel universele als blijvende betekenis heeft.” (pag.31)

Soulen noemt deze vier kernepisodes de ‘ foreground’ (voorgrond) van de narrative. In deze ‘voorgrond’ wordt Gods handelen met zijn schepping verwoord in kosmische universele termen. Christus is in deze narrative de incarnatie van de eeuwige Logos, de mensheid wordt neergezet als afstammelingen van het eerste ouderpaar, met een universele menselijke natuur enzovoort.

Soulen: “ De voorgrond negeert volledig de Hebreeuwse geschriften, met uitzondering van Genesis 1-3. Het verhaal vertelt hoe God betrokken was bij Adam en Eva als Voleinder en hoe Gods aanvankelijke plan het mensenpaar tot voleinding te brengen, bijna meteen werd verstoord door de zondeval. De voorgrond narrative springt vervolgens onmiddellijk over naar het N.T. waar God door Jezus Christus de mensheid bevrijdt van de gevolgen van de zondeval. Zo bekeken houdt God zich als Voleinder en Verlosser met de mensheid bezig op een wijze die het grootste deel van het O.T. en boven alles het getuigenis van het O.T. aangaande Gods geschiedenis met het volk Israël, buiten spel zet.” Het verhaal van Gods handelen met Israël verdwijnt volgens Soulen naar de achtergrond van de narrative. Soulen concludeert dan: “Het resultaat is dat Gods identiteit als de God van Israël en de God van de geschiedenis van het Joodse volk nagenoeg geen rol van betekenis meer spelen in het beeld dat christenen van God hebben.” (pag.33)

Waarmee Soulen opnieuw duidelijk maakt dat de vervangingstheologie niet uitsluitend de relatie met het Joods volk raakt. Het raakt tevens ons godsbeeld en dus onze relatie met God zelf.

Ik hoop met dit eerste artikel over Soulens boek uw belangstelling te hebben gewekt voor deze belangrijke Amerikaanse theoloog. In een vervolgartikel hoop ik nader in te gaan op het tweede deel van zijn boek waarin hij een alternatief theologisch model uiteenzet. Een model waarin Gods weg met Israël voluit in de voorgrond mee klinkt. Ik kan u alvast verklappen dat het een model is waar (hemelse) muziek in zit.

N.a.v. ‘The God of Israel and Christian Theology’ , R. Kendall Soulen, Fortress Press 1996

ISBN 13: 9780800628833
ISBN 10: 0800628837

R. Kendall Soulen is hoogleraar systematische theologie aan Wesley Theological Seminary in Washington D.C.


Aanbevolen literatuur

  • The Divine Name(s) and the Holy Trinity; Distinguishing the Voices volume 1 , R. Kendall Soulen, Westminster John Knox Press, 2011
  • Israel and the Church; the origins and effects of replacement theology, Ronald E. Diprose, Paternoster
  • Has the Church Replaced Israel? A theological evaluation, Michael Vlach, B&H Publishing Group
  • Future Israel; why Christian anti-judaism must be challenged, B&H Publishing Group, 2007,  Barry Horner
  • Christianity in Jewish Terms, editors Tikva Frymer-Kensky, David Novak, Westview Press, 2000, Peter Ochs
  • Christians and Jews Together, Stuart Dauermann Wipf and Stock Publishers , MJTI Publications
  • Abraham’s Promise ; Judaism and Jewish-Christian Relations, Michael Wyschogrod, edited and introduced by R. Kendall Soulen Wm.B. Eerdmans Publishing Co., 2004
  • Postmissionary Messianic Judaism; Redefining Christian Engagement with the Jewish People, Mark S. Kinzer Brazos Press, 2005
  • Israel’ s Messiah and the People of God; A Vision for Messianic Jewish Covenant Fidelity, Mark S. Kinzer, Cascade Books, 2011
  • Searching Her Own Mystery; Nostra Aetate, the Jewish People, and the Identity of the Church Cascade Books, 2015
  • Introduction to messianic Judaism; its Ecclesial Context and Biblical Foundations, David Rudolph and Joel Willits, general editors Zondervan, 2013
  • Christ Jesus and the Jewish People Today ; New Explorations of Theological Philip A. Cunningham, editor Interrelationships,  Eerdmans, 2011
  • Jews and Christians; People of God, Carl E. Braaten and Robert Jenson editors, Wm.B. Eerdmans, Publishing Co. , 2003
  • The Church and Israel; in search of a new model in post-holocaust theology, Istvan Tatai, 2014
  • The Crucifixion of the Jews; the failure of Christians to understand the Jewish experience, Franklin H. Littell Mercer University Press
  • Israel, Servant of God, Michel Remaud T & T Clark
  • The Origins of Christian Zionism; Lord Shaftesbury and evangelical support for a Jewish Homeland, Donald M. Lewis Cambridge University Press
  • Another Reformation ; Postliberal Christianity and the Jews, Peter Ochs Baker Academic, 2011