door Ruben van der Slik
Inleiding
Deze korte analyse past binnen de missie van de Jules Isaac Stichting, die zich inzet voor het herstellen van een eerlijke, historische en respectvolle lezing van de relatie tussen joden en christenen. Door scherp te kijken naar wat de teksten wél en niet zeggen, kunnen misverstanden worden rechtgezet.
De Joodse historicus Jules Isaac gaat in zijn boeken Jesus and Israel1 en Teaching of Contempt2 in op het grote gevaar van anti-Joodse sentimenten in christelijke theologische literatuur. Hij laat zien dat het belangrijk is om context te hebben bij de gebeurtenissen die we lezen in het Nieuwe Testament en hierbij ook te kunnen duiden waaróm sommige dingen zijn geschreven. Hij benadrukt hierbij ook het belang van kennis van het jodendom zelf, zoals het bestond in de tijd van Jezus.
Vaak wordt het jodendom in Jezus’ tijd weggezet als een dode of wettische religie.
Jules Isaac benadrukt dat dit jodendom, ook wel het tweede tempeljodendom genoemd, een dynamische en levende godsdienst was, die vele stromingen en kleuren kende.
Om het Nieuwe Testament goed te kunnen lezen, is het noodzakelijk om ten minste een basiskennis te hebben van wat die stromingen waren en op welke manier Jezus interactie met ze had.
Verschillende groepen
We komen in de verschillende evangeliën de volgende groepen tegen: farizeeën, Schriftgeleerden, sadduceeën, oudsten, priesters en overpriesters.
Omdat de kennis over de kenmerken van deze groepen vaak heel beperkt is, worden ze vaak op één hoop geveegd door veel predikanten en bijbelleraren. Ook in kinderbijbels kom je voorbeelden tegen waarbij deze groeperingen te pas en te onpas genoemd worden. Hieronder kort de belangrijkste kenmerken van deze groeperingen:
Sadduceeën
De sadduceeën waren een joodse, priesterlijke en aristocratische groep tijdens de tweede tempelperiode. Ze behoorden tot de rijkere bovenlaag van de samenleving en hielden zich vooral bezig met het bestuur en de werking van de tempel in Jeruzalem. Hun naam is waarschijnlijk afgeleid van Zadok, de priesterlijke stamvader. Veel sadduceeën stamden af van die priesterlijke lijn en maakten deel uit van de tempelhiërarchie.
Theologisch erkenden de sadduceeën alleen de geschreven Tora en geloofden zij niet in de opstanding van de doden en mondelinge traditie, waar de farizeeën wel waarde aan hechtten. Door hun belangrijke rol in het tempelbestuur werden ze vaak gezien als conservatief, invloedrijk en nauw verbonden met de priesterlijke families.
Schriftgeleerden
Schriftgeleerden waren experts in de joodse wet: zij schreven, kopieerden en interpreteerden de Tora, en fungeerden als leraren en juridische raadgevers. Omdat sommigen van hen binnen het tempelbestuur werkten, worden ze in het Nieuwe Testament vaak samen genoemd met de (hoge)priesters, die de religieuze leiding hadden in Jeruzalem. Tegelijkertijd sloten veel Schriftgeleerden zich inhoudelijk aan bij de farizeeën, omdat beide groepen sterk gericht waren op nauwkeurige uitleg van de wet. Daarom verschijnen ze in de evangeliën geregeld samen als gesprekspartners of tegenstanders van Jezus. Discussies over de toepassing van de Tora (halacha) werden veelvuldig gevoerd binnen het jodendom, en nog steeds.
Oudsten
De oudsten (presbyteroi) in het Nieuwe Testament waren gerespecteerde leiders van het joodse volk, meestal oudere mannen met maatschappelijke invloed. Ze vormden samen met de hogepriesters en Schriftgeleerden een belangrijk deel van het sanhedrin, het belangrijkste joodse rechtsprekend orgaan.
Hun functie stond in een lange traditie van Israël, waar oudsten al vanaf Mozes’ tijd optraden als vertegenwoordigers, bestuurders en rechters van het volk. In Jezus’ tijd waren zij publieke leiders die het volk vertegenwoordigden, toezicht hielden op de traditie en betrokken waren bij juridische beslissingen en religieuze vraagstukken.3
In de evangeliën verschijnen zij vaak samen met de priesterlijke elite omdat ze deel uitmaakten van dezelfde leidinggevende klasse. Zij speelden een rol in de gebeurtenissen rond Jezus’ arrestatie en veroordeling.
Priesters
De gewone priesters waren leden van de stam Levi, specifiek afstammelingen van Aaron.
Ze vormden een grote erfelijke groep (ca. 7.200 in Jezus’ tijd) die verantwoordelijk was voor het dagelijkse tempelwerk: offers brengen, het altaar onderhouden, wierook aanbieden en dienst doen in rotaties van 24 priesterafdelingen.4
Hogepriester
De hogepriester (Archiereus) was de hoogste religieuze autoriteit in Israël. Hij mocht als enige het Heilige der Heiligen binnengaan op Grote Verzoendag, droeg unieke gewaden en fungeerde als hoofd van het sanhedrin.
Overpriesters
De overpriesters waren hooggeplaatste priesters onder de hogepriester, een elitegroep van ongeveer 200 vooraanstaande priesterfamilies. Zij vormden de bovenlaag van de tempelhiërarchie, hielden toezicht op alle tempelactiviteiten, financiën en rituelen, en zaten in het sanhedrin als invloedrijke leiders. Zij vormden de joodse bestuurlijke elite die nauw samenwerkte met de Romeinse bezetter, gehaat onder het volk.
Farizeeën
De farizeeën waren een invloedrijke joodse lekenbeweging in de tweede tempelperiode. Zij stonden bekend om hun strikte naleving van de Tora. Ze hechtten een groot belang aan de mondelinge Tora die zij naast de geschreven Tora gezag toekenden. Hierdoor verschilden zij theologisch sterk van de sadduceeën, die alleen de geschreven wet erkenden.
De farizeeën als groepering bestonden uit geleerden en toegewijde joden die vooral invloed hadden in de synagogen en onder het volk. De historicus Josephus beschrijft hen als een beweging met naar schatting ongeveer 6.000 aanhangers, met grote morele en religieuze invloed op het gewone volk.
De farizeeën geloofden in de opstanding van de doden, in engelen en geesten, en in Gods voortdurende betrokkenheid bij het leven: overtuigingen die hen scherp onderscheidden van de sadduceeën. Zij zagen zichzelf als de ware uitleggers van de Tora en stonden bekend om hun ijver voor rituele zuiverheid en dagelijkse vroomheid.5
Hoewel zij geen meerderheid vormden in het sanhedrin6, hadden zij daar wel vertegenwoordigers, zoals sommige Schriftgeleerden. Hun grote populariteit onder het volk gaf hun indirect veel invloed, zelfs tegenover de priesterlijke en politieke elite.
De farizeeën: halachische discussies
De groep waarmee Jezus het meest in gesprek was, waren de farizeeën. Vooral het evangelie van Lukas, dat het uitvoerigst verslag doet van deze interacties, laat zien hoe Jezus meerdere malen met farizeeën dineert en met hen in gesprek gaat over allerlei halachische kwesties. Dat gebeurde omdat Jezus en de farizeeën veel religieuze overtuigingen deelden en hun discussies plaatsvonden binnen dezelfde joodse context.
Marco Rotman, lector aan het CHE, schrijft hierover:
Toen Joodse onderzoekers zich eind negentiende eeuw gingen bezighouden met de farizeeën, brachten zij een positiever beeld naar voren van farizeeën als godsdienstige vernieuwers die feitelijk dicht bij Jezus stonden.7
Juist door die gedeelde basis ontstond er intensieve interactie: soms in de vorm van een inhoudelijke discussie, soms als een scherpe confrontatie en soms als een vriendschappelijk gesprek (zoals met Nicodemus).
In de evangeliën zien we Jezus vaak met farizeeën spreken over uiteenlopende halachische thema’s. Het is belangrijk te beseffen dat veel van deze onderwerpen al besproken waren door eerdere belangrijke rabbijnen zoals Hillel en Sjammai.8 Hieronder volgt een overzicht van enkele onderwerpen die tijdens ontmoetingen aan bod kwamen:
- Sliecha9 (vergeving van zonde) en refoea (genezing) en de relatie tussen ziekte en zonde (Lukas 5:17–26)
- Omgang met posjee Jisraël10(overtreders) tijdens de maaltijd bij Levi (Lukas 5:27–32)
- Onderwijs over vasten: ta’aniet en nedava (vrijwillig vasten) (Lukas 5:33–39)
- Melachot (werkzaamheden die verboden zijn op sabbat): aren plukken op sabbat – valt dit onder ketziera (maaien) of me’amer (verzamelen)? (Lukas 6:1–5)
- Genezing op sabbat: pikoeach nefesj11 (levensredding) tegenover refoea beSjabbat (medische handelingen op sabbat) (Lukas 6:6–11)
- Toema en tahara12 (reinheid en onreinheid), tijdens bezoek bij Simon de farizeeër. Inclusief de vraag of aanraking door een ritueel “onrein” persoon toegestaan is (Lukas 7:36–50)
- Netilat jadajiem (ritueel handenwassen), tijdens maaltijd met farizeeën (Lukas 11:37–54)
- Genezing op sabbat: opnieuw een discussie over wat op sabbat wel en niet is toegestaan (Lukas 14:1–6)
- Malchoet sjamajiem (koninkrijk der hemelen) en achariet ha-jamiem (eindtijd) (Lukas 17:20)
- Belasting aan de keizer: diena de-malchoeta (het staatsrecht – de wet van het koninkrijk is wet) (Lukas 20:19–26)
Jezus had dus (felle) discussies met de farizeeën en deze worden ook uitvoerig beschreven in de verschillende evangeliën. Het blijft hierbij van belang om te benadrukken dat dit gebeurde juist omdat Jezus en de farizeeën zoveel gemeen hadden.
Jezus’ gebruikelijke synagogebezoek, het gezag dat hij toekent aan de profeten en psalmen in zijn uitleg, de opstanding der doden en de realiteiten van de geestelijke wereld zijn slechts enkele voorbeelden hiervan.
Het is dus onterecht dat de farizeeën als Jezus’ theologische tegenstanders gezien worden, ook al had hij veel aan te merken op hen zoals hypocrisie, wat voorkwam bij sommige van hen (en ook voorkomt in allerlei geloofsgemeenschappen vandaag de dag). Toch lezen we in teksten zoals Mattheüs 12:14 dat sommige farizeeën beraadslaagden hoe zij Jezus zouden kunnen doden.
‘De Farizeeën gingen weg en beraadslaagden tegen hem, hoe zij hem om zouden kunnen brengen.’ (Mattheüs 12:14)
En dezelfde geschiedenis wordt door Markus verteld; hij betrekt de Herodianen erbij:
‘En toen de Farizeeën weggegaan waren, beraadslaagden zij meteen met de Herodianen tegen hem hoe zij hem om zouden kunnen brengen.’ (Markus 3:6)
We zien deze teksten steeds in relatie tot het voorafgaande verhaal: de genezing van een man met een verschrompelde hand op sabbat. Deze genezing riep stevige halachische discussies op, en de implicaties van Jezus’ handelen brachten sommige farizeeën, met name degenen die de striktere lijn van Sjammai volgden, in een moeilijke positie. De evangelisten drukken de spanning die sommige farizeeën ervoeren in krachtige bewoordingen uit. Markus versterkt dit effect door zelfs een samenwerking met de Herodianen te noemen, een historisch onwaarschijnlijke alliantie, aangezien de Herodianen pro-Romeins waren en daarmee vrijwel het tegenovergestelde vertegenwoordigden van de farizeeën.
Lukas vertelt dezelfde geschiedenis, maar kiest opnieuw voor een veel genuanceerdere formulering, waarbij geen sprake is van een expliciete doodsbedreiging.
“Zij waren vol woede en spraken er met elkaar over wat zij met Jezus zouden doen.” (Lukas 6:11)
In Mattheüs en Markus lijkt de woede van enkele farizeeën uit te lopen op een complot, dat vooruitwijst naar het latere lijdensverhaal.
Het is echter belangrijk om deze scène niet te vereenzelvigen met het grote complot rond Jezus’ kruisiging. De evangelisten laten namelijk zien dat de relatie tussen Jezus en farizeeën complexer is: zowel Mattheüs als Markus, en zeker Lukas, beschrijven later opnieuw neutrale of zelfs vriendschappelijke ontmoetingen tussen Jezus, zijn volgelingen en farizeeën13. Dit onderstreept dat de vijandigheid in deze vroege passages niet representatief is voor de hele beweging, maar betrekking heeft op specifieke groepen binnen een bredere religieuze context.
Naast theologische kwesties worden de farizeeën in veel christelijke voorstellingen en uitlegtradities vaak in één adem genoemd met de groeperingen die betrokken waren bij de veroordeling en kruisiging van Jezus. Een opvallend feit is echter dat in geen van de vier evangeliën de farizeeën worden genoemd als betrokken partij bij het proces van Jezus. Sterker nog: drie van de vier evangelisten noemen helemaal geen farizese betrokkenheid bij het verraad van Jezus. Dit staat in scherp contrast met het frequente contact dat Jezus wél met hen had.
Opmerkelijk is bovendien dat het evangelie van Lukas zelfs een voorval beschrijft waarin farizeeën Jezus waarschuwen voor een dreigende aanslag door koning Herodes (Lukas 13:31). Dit laat zien dat de relatie tussen Jezus en de farizeeën genuanceerder was dan vaak wordt aangenomen: er waren confrontaties, maar er waren ook farizeeën die hem bescherming wilden bieden.
Dat roept een vraag op: als de farizeeën vaak worden gezien als Jezus’ belangrijkste tegenstanders, waarom ontbreken ze dan juist in de belangrijkste scène van de evangelieverhalen: het proces en de veroordeling van Jezus?
De farizeeën en het verraad van Jezus
In de evangeliën van Markus, Mattheüs en Lukas wordt geen enkele verwijzing gemaakt naar farizeeën bij het verraad of de arrestatie van Jezus. Judas wendt zich daar uitsluitend tot de hogepriesters, de priesterlijke aristocratie, die rond de tempel functioneerde en die het religieuze én politieke gezag vertegenwoordigde.
Alleen het evangelie van Johannes noemt farizeeën in verband met de arrestatie:
“Judas dan, die de afdeling soldaten en enkele dienaars van de overpriesters en Farizeeën meegenomen had…” (Johannes 18:3)
Deze vermelding is opmerkelijk, omdat farizeeën geen politieke of militaire macht bezaten.14 Zij hadden geen autoriteit over soldaten en geen controle over de tempeldienaars. Die macht lag volledig bij de priesterlijke elite. Kajafas, de zittende hogepriester, was door Rome aangesteld, en ook Annas, zijn schoonvader en de informele leider van de priesterlijke familie, was eerder door Rome benoemd geweest. Vanuit historisch en bestuurlijk perspectief is het dan ook veel waarschijnlijker dat de arrestatie werd geleid door deze priesterlijke groep, niet door de farizeeën.
In Markus, Mattheüs en Lukas ontbreekt elke verwijzing naar farizeeën bij het verraad van Jezus. Judas wendt zich uitsluitend tot de hogepriesters: de priesterlijke aristocratie rond de tempel.
Waarom noemt Johannes wél farizeeën?
Onderzoekers merken op dat Johannes een meer polemische stijl hanteert richting het Joodse volk, met name naar degenen die niet in de Messias geloofden. Kenmerkend is zijn gebruik van grote, contrasterende categorieën zoals “de joden” tegenover de volgelingen van Jezus. Deze zwart-witstructuur verleent het evangelie een krachtige literaire dynamiek, maar daardoor vervaagt soms de diversiteit van de verschillende joodse groepen uit de tweede tempelperiode. De polariteit, zeker tussen de gewone synagogebezoekers en de volgelingen van Jezus, was niet zo groot als hij door de schrijver van het Johannesevangelie wordt geschetst.
Het evangelie van Johannes is volgens veel bijbelwetenschappers het laatst geschreven evangelie, waarschijnlijk aan het einde van de eerste eeuw. In die periode waren de spanningen tussen de messiaanse Joden15 en de niet-messiaanse Joden sterk toegenomen, mede door politieke ontwikkelingen. Het kwam toen ook voor dat joden die in Jezus geloofden uit de synagoge werden geweerd. Dat verklaart waarom juist het Johannesevangelie spreekt over het ‘uit de synagoge geworpen worden’ (Johannes 9:22; 12:42). De auteur projecteert daarmee de situatie van zijn eigen tijd terug in het verhaal over Jezus.
In een essay over het ‘uit de synagoge zetten’ zoals deze term in het Johannesevangelie wordt gebruikt, legt J. Andrew Doole uit dat dit niet de werkelijkheid was van de volgelingen van Jezus in zijn tijd:
“Toch zijn er in het Johannesevangelie geen voorbeelden van iemand die daadwerkelijk uit een synagoge wordt gezet … en Jezus’ woorden suggereren juist dat zulke gebeurtenissen nog moeten plaatsvinden (Johannes 16:2a).”16
In dat licht is het waarschijnlijk dat Johannes de farizeeën in één adem noemt met de priesters: niet omdat zij daadwerkelijk betrokken waren bij de arrestatie van Jezus, maar omdat deze vermenging past binnen het polemische narratief van het evangelie. Johannes presenteert de tegenstanders van Jezus vaak als één samenhangende groep, terwijl de historische situatie complexer was.
Hoe de synoptische evangeliën wél onderscheid maken
De synoptische evangeliën, Mattheüs, Markus en Lukas, tekenen juist een veel genuanceerder beeld van de verschillende joodse stromingen.
Daarbij wordt de priesterlijke aristocratie (sadduceeën, hogepriesters), onder leiding van de hogepriester Kajafas, duidelijk aangewezen als verantwoordelijke voor zowel de arrestatie als het proces van Jezus. De farizeeën, een volkse beweging, spelen in dit geheel géén rol. De enige groepen die in de synoptische evangeliën zichtbaar tegen Jezus optreden, zijn de hogepriester, overpriesters, oudsten en Schriftgeleerden die deel uitmaken van het sanhedrin, met name de priesterlijke elite rond de tempel.
Het boek Handelingen onderstreept dit onderscheid. Wanneer de apostelen voor de raad moeten verschijnen, opnieuw een vergadering gedomineerd door de hogepriesterlijke familie van Kajafas, gebeurt er iets opvallends: een farizeeër staat op met een stem van voorzichtigheid en nuance.
“Maar er stond iemand op in de raad, een Farizeeër van wie de naam Gamaliël was… en hij zei dat men de apostelen even naar buiten moest brengen.” (Handelingen 5:34)
Vervolgens waarschuwt hij zijn toehoorders met deze krachtige woorden:
“…opdat u misschien niet als bestrijders van God bevonden wordt.” (Handelingen 5:38–39)
Deze scène laat zien dat farizeeën niet unaniem tegen de vroege messiaanse beweging waren. Integendeel: sommige farizeeën namen een opmerkelijk terughoudende houding aan en zagen het gevaar in van overhaast optreden tegen nieuwe religieuze bewegingen.
Paulus: een leerling van Gamaliël die een andere weg koos
Juist daarom valt Paulus’ gedrag op. Als leerling van Gamaliël zou je verwachten dat hij diens bedachtzame houding zou volgen. Maar Paulus kiest juist de tegenovergestelde weg: hij vervolgt de messiaanse Joden. Opvallend genoeg doet hij dat niet namens de farizeeën, maar via de hogepriesterlijke autoriteit17:
“Saulus … ging naar de hogepriester toe en vroeg van hem brieven voor Damascus…” (Handelingen 9:1–2)
Hieruit blijkt opnieuw dat vervolging van de Jezusbeweging niet vanuit de farizese beweging kwam, maar vanuit de priesterlijke elite: dezelfde groep die ook het proces van Jezus leidde.
Conclusie: waren de farizeeën Jezus’ vijanden?
De Bijbelse gegevens laten een verrassend ander beeld zien dan de populaire voorstelling:
- Farizeeën spelen géén rol in het verraad, het proces of de kruisiging van Jezus.
- Alleen Johannes noemt hen bij de arrestatie: waarschijnlijk om literaire redenen, niet om historische redenen.
- In Handelingen verschijnen farizeeën zelfs als kritische en soms beschermende stemmen.
- De werkelijke tegenstanders in het proces waren de met de Romeinse bezetter samenwerkende priesters.
Dit nodigt uit tot reflectie: is ons beeld van de farizeeën als ‘vijanden van Jezus’ meer gevormd door traditie dan door de teksten zelf? In veel christelijke boeken en lesmateriaal zien we hoe er een mengvorm ontstaat van de verschillende evangeliën, waardoor de farizeeën telkens opnieuw opduiken, zelfs in scènes waar ze in de bijbel helemaal niet voorkomen. Zo ontstaat een hardnekkig beeld dat nauwelijks wortelt in de Schrift, maar des te sterker in een christelijke uitleggeschiedenis die het beeld heeft vertekend.
Daarom is het zo belangrijk dat we alert blijven wanneer we prediking horen, of wanneer we voorlezen uit een kinderbijbel na het eten of bij het slapengaan. Want onze woorden vormen beelden, en beelden vormen overtuigingen. Zo benadrukt dr. Marco Rotman dit ook tijdens zijn lectorale rede:
“De uitleggeschiedenis van dergelijke teksten – er zijn er meer in het Nieuwe Testament – is een hindernis om tot ontmoeting te komen. Het is niet voldoende alleen door exegese oude beelden te corrigeren, hoe belangrijk dat ook is. We moeten ook de geschiedenis onder ogen zien en in het reine komen met het leed dat christenen joden hebben aangedaan op grond van anti-Joodse tekstuitleg, christelijk superioriteitsgevoel en de machtspositie van de kerk.” 18
Waarom is het dan zo essentieel om het farizese jodendom, dat uiteindelijk de basis zou vormen van het jodendom zoals we dat vandaag kennen, te bevrijden van deze beschuldigende vinger?
Omdat ons verstaan van de Schriften erdoor wordt vervormd.
Omdat we anders een karikatuur blijven herhalen die generaties lang heeft bijgedragen aan misverstanden, verwijdering en pijn.
Maar vooral omdat we, wanneer we de farizeeën eerlijker en nauwkeuriger leren zien, ook Jezus zelf beter begrijpen: zijn onderwijs, zijn discussies, zijn verbondenheid met de joodse traditie waarin hij leefde. Een zuiverder blik op de farizeeën betekent dus niet alleen recht doen aan het joodse volk, maar ook recht doen aan de Messias van Israël. En dat is precies waar het ons om te doen is.
Noten
1 Jules Isaac, Jesus and Israel (Paris: Albin Michel, 1948).
2 Jules Isaac, The Teaching of Contempt: Christian Roots of Anti-Semitism (New York: Holt, Rinehart and Winston, 1964)
3 biblehub.com
4 bible-history.com
5 jstor.org
6 Er zijn veel misvattingen ontstaan over het begrip sanhedrin, de grote raad, en de samenstelling ervan. Ik raad aan het Essay David Goodblatt te lezen:
David Goodblatt, Het Sanhedrin, in “Het Nieuwe Testament met Joodse Toelichtingen”, Amy-Jill Levine.
7 Marco Rotman, Ik ben een farizeeër, Oude beelden, nieuwe wegen (lectorale rede 13 juni 2025)
8 Hillel en Sjammai waren twee invloedrijke farizese rabbi’s uit de generatie vóór Jezus, bekend om hun milde en strenge interpretaties van de Tora.
9 Rambam, Hilchot Teshuva (hoofdstukken 1–2, 7)
10 Sanhedrin 44a
11 Shulchan Aruch, Orach Chaim 328
12 Mishna Tractaten: Kelim, Ohalot, Nega‘im, Parah, Mikvaot
13 o.a. Lukas 13:31, de uitnodigingen voor de maaltijd in Lukas 7:36; 11:37; 14:1
14 Amy-Jill Levine, Jesus and the Pharisees (Cambridge University Press, 2019).
15 Hoewel deze term vaak als anachronistisch wordt beschouwd, past hij beter als aanduiding van de eerste gelovigen in Jezus dan bijvoorbeeld ‘joodse christenen’.
16 J. Andrew Doole, To Be ‘An Out-of-the-Synagoguer’, Journal for the Study of the New Testament 43, nr. 3 (2021): 389–410.
17 Arland J. Hultgren, Paul’s Pre-Christian Persecutions of the Church: Their Purpose, Locale, and Nature, Journal of Biblical Literature 95 (1976): 97–111.
18 Marco Rotman, Ik ben een farizeeër, Oude beelden, nieuwe wegen (lectorale rede 13 juni 2025)
