Boekrecensie: ‘Vier keer Israël, een boekbespreking’

Door Jeroen Bol

  • Daniel Gordis, Israel, a concise history of a nation reborn, Ecco, Harper Collins Publishers, 2016, 546 pp.
  • Ari Shavit, My Promised Land, the triumph and tragedy of Israel, Spiegel and Grau, New York, 2013, 445 pp.
  • Daniel Gordis, If A Place Can make You Cry, dispatches from an anxious state, Crown Publishers, New York, 2002, 279 pp.
  • Daniel Gordis, Coming Together, Coming Apart, a memoir of heartbreak and promise in Israel, John Wiley & Sons, Hoboken, New Jersey, 2006, 258 pp.

We horen veel over Israël, maar wat weet ik nu eigenlijk echt van het land, van zijn geschiedenis en van de mensen die er wonen? Die vraag kwam bij me op toen ik de afgelopen maanden vier boeken over Israël las, alle vier geschreven door Joodse Israëli’s. Twee daarvan zijn met prijzen onderscheiden en recent verschenen, in 2013 en 2016. De vele recensies zijn lovend. Al lezend werd het me duidelijk dat er nog veel te ontdekken valt.

Iets over de auteurs. Daniel Gordis (1957) maakte in 1998 aliyah met zijn gezin vanuit Californië. Gordis behoort momenteel tot de belangrijkste zionistische denkers in Israël. Hij is tevens rabbinaal opgeleid. De Jeruzalem Post rekende hem onlangs tot een van de vijftig meest invloedrijke Joden ter wereld. Gordis is ook medeoprichter en vice president van het gerenommeerde Shalem College in Jeruzalem. Hij heeft intussen meer dan tien boeken op zijn naam staan. Gordis schrijft niet alleen met veel kennis van zaken, hij is ook goudeerlijk in wat hij schrijft. En dat met een groot typisch joodse antenne voor rechtvaardigheid en menselijkheid. Zijn in 2016 verschenen boek ‘Israel, a Concise History of a Nation Reborn’ heeft een grote hoeveelheid lovende recensies gekregen. Voor dit boek ontving Gordis begin dit jaar de National Jewish Book Award. Sommigen voorspellen al dat het boek een ‘classic’ wordt.

Ari Shavit (1957) is een gerenommeerd journalist in Israël. Hij maakt sinds 1995 deel uit van de redactie van de Israëlische krant Haaretz. Shavit is in Israël een bekend TV commentator. In de jaren ‘90 was Shavit voorzitter van de Association for Civil Rights in Israel. In de jaren ‘90, de hoogtijdagen van de Vrede Nu Beweging, bevond hij zich aan de linkerkant van het politieke spectrum. Sinds de tweede intifada begin van deze eeuw is Shavit in zijn standpunt over het Israëlisch-Palestijnse conflict meer naar rechts opgeschoven. In zijn boek My Promised Land stelt hij lastige vragen aan zowel links als rechts in Israël. Shavit is een overtuigd zionist die zich scherp bewust is van de niet aflatende gevaarlijke dreiging vanuit de omringende moslim wereld richting Israël. Tegelijk heeft hij een open oog voor de volgens hem deels erechtvaardigde grieven aan Palestijnse kant. Die middenpositie maakt dat Shavit door zowel links als rechts regelmatig onder vuur wordt genomen. Voor zijn boek ‘My Promised Land’ ontving de schrijver de Natan Book Award. Het boek is door tal van recensenten beschreven als een van de beste boeken ooit over het ontstaan van de staat Israël.

Eerst iets over de drie boeken van Daniel Gordis. De eerste twee uit 2002 en 2006, ‘If a place can make you cry’ en ‘Coming together, coming apart’ zijn beide persoonlijk geschreven juweeltjes. In deze twee boeken beschrijft de Amerikaan Gordis hoe hij en zijn vrouw Elisheva en hun drie kinderen hun nieuwe thuis Israël beleven. Beide boeken hebben een chronologische opbouw. ‘If a place can make you cry’ begint in juli 1998 als het gezin aankomt in Jeruzalem voor wat in eerste instantie een sabbatical year zou zijn. Halverwege Gordis’ sabbatical aan het Mandel Institute laat zijn vrouw hem weten dat ze niet meer terug wil naar de V.S. Voor haar staat vast dat Israël definitief haar thuis is. Gordis laat zich al snel door haar overtuigen. Ze blijven. Wat in 1998 begon als een sabbatical loopt in 1999 uit op aliyah. Het gezin met drie jonge kinderen vestigt zich in de zomer definitief in Jeruzalem. ‘If a place can make you cry’ eindigt in maart 2002. Het boek is een verzameling van in totaal 48 tot prachtig proza omgewerkte e-mails die Gordis in die eerste vier jaar in Israël periode naar familie en vrienden in de V.S. en Canada stuurde. Wanneer het gezin aankomt in 1998 leeft in Israël nog breed de hoop dat er vrede komt. Die hoop wordt in het najaar van 2000 de bodem ingeslagen wanneer de tweede intifada uitbreekt. Het boek leest als heet van de naald geschreven persoonlijke memoires. De schrijver laat je, voor zover dat mogelijk is, meebeleven wat het allemaal met hem en zijn gezin doet. Hoe ze de moed erin houden en waar ze die moed vandaan halen. Gordis maakt het allemaal niet mooier dan het is. Juist dat maakt het zo boeiend om te lezen.
En ja, mooi.

Het vervolgboek ‘Coming together, coming apart’ beslaat de periode 2003-2005. Het bestaat eveneens uit een chronologisch geschreven reeks persoonlijke verhalen waarin Gordis de lezer deelgenoot maakt laat maken met wat het hem en zijn gezin doet om in Israël te wonen. En wat ze er aan moeilijke en aan mooie dingen meemaken. Aangrijpend en indrukwekkend is hoe hij keer op keer beschrijft wat de tweede intifada met zijn kinderen doet. Om hen heen worden dan in Jeruzalem bussen en cafés opgeblazen. Soms letterlijk om de hoek. Elke dag is het weer spannend of het gezin s’ avonds nog wel compleet zal zijn. Heel bijzonder ook zijn de gesprekken aan tafel, de vragen van de kinderen en de antwoorden van de ouders. En soms hebben ze geen antwoorden.
De twijfel soms ook bij de ouders: kunnen we onze kinderen dit wel aandoen, leven in deze gevaarlijke omstandigheden? Hadden we misschien toch niet beter in veilig Californië kunnen blijven? En dan telkens de liefde voor en diepe verbondenheid met het land die het toch winnen. De vastbeslotenheid om te blijven en zelf ook een aandeel te leveren in de verdere opbouw van de Joodse staat. Het is bijzonder om te lezen hoe diep die Joodse liefde voor het land en het volk gaat bij Gordis, bij zijn vrouw en hun drie kinderen. Ja, ook bij de kinderen. Wat beide boeken tot een unieke leeservaring maakt is dat Gordis persoonlijk en heel eerlijk en open deelt wat dit allemaal met je doet als Jood, als ouder, als Israëli, als mens. De twee boeken laten Israël werkelijk van binnenuit zien, hoe het daar beleefd wordt door Joden zelf die aliyah hebben gemaakt. Enorm leerzaam en bij tijden erg aangrijpend ook. De ondertitels van beide boeken spreken wat dat aangrijpende betreft boekdelen: ‘dispatches from an anxious state’ en ‘a memoir of heartbreak and promise in Israel’. Wat deze twee boeken ook bijzonder maakt is dat Gordis op eerlijke wijze beide kanten van het conflict laat zien. Hij duikt niet weg voor het lijden aan de Palestijnse kant en schroomt niet om onrecht aan de Israëlische kant ook te benoemen. Ik vind dat heel sterk.

Israel, a concise history of a nation rebornHet in 2016 verschenen boek ‘Israel, a concise history of a nation reborn’ is van een heel andere orde. Het boek verhaalt de geschiedenis van de zionistische beweging en de staat Israël. Globaal beschrijft het boek de periode 1850-2015. In de inleiding bespreekt Gordis zijn aanpak. Hij ambieert niet om een gedetailleerd minutieus historisch overzicht te schrijven. Staan in veel geschiedenissen van Israël de verschillende oorlogen centraal, Gordis bespreekt die juist zo beknopt mogelijk. Wat doet hij dan wel, wat is zijn insteek? Gordis wil vooral duidelijk maken waarom zaken gelopen zijn zoals ze gelopen zijn. Waarom sleutelfiguren de keuzes hebben gemaakt die ze hebben gemaakt. Welke ideeën er leefden en welke impact die gehad hebben. Dat alles wil hij met name inzichtelijk maken. En daarin is hij volgens velen wonderbaarlijk goed in geslaagd. Het is niet alleen knap geschreven, het is ook nog eens mooi geschreven. Het is werkelijk proza van niveau, een genot om te lezen. Het boek ademt liefde van de schrijver voor zijn onderwerp: het volk en het land.
Gordis laat zijn boek verrassend beginnen met een citaat uit een gedicht van de destijds geliefde Russische Joods dichter, Chaim Lachman Bialik. Het gedicht uit 1892 heet ‘Aan de vogel’. Het leven van de Oost-Europese Joden is in de tweede helft van de 19 e eeuw miserabel geworden, pogrom na pogrom. De dichter vraagt aan de vogel die terug is gekeerd uit Palestina: “Is God nog genadig voor Zion? Regeren kwaad en rampen ook in dat warme mooie land?” Gordis beschrijft hoe de dichter treffend weet neer te zetten wat er aan de hand is in Joods Oost-Europa. Het leven is er voor de Joden langzamerhand onhoudbaar en levensgevaarlijk geworden, het eeuwenoude verlangen van terugkeer naar Zion zoekt naar realisatie van de droom. Het ontstaan van de zionistische beweging hangt in de lucht. In zijn eerste hoofdstuk met de titel ‘Poetry and Politics’ bespreekt Gordis de Oost-Europese voorlopers van de zionistische beweging, Moses Hess en Leon Pinsker. Gordis laat zien hoe het boek van Theodor Herzl ‘Der Judenstaat’ in 1896 op voorbereide bodem viel. In 1897 wordt op het eerste zionistische congres in Basel de grondslag gelegd voor de staat die vijftig jaar later zou ontstaan. Indrukwekkend is hoe Gordis beschrijft dat dit congres de eerste nationale, het Joodse volk vertegenwoordigende vergadering, na bijna 2000 jaar was. Dit soort wonderbaarlijke krenten weet Gordis regelmatig uit de pap van de Joodse geschiedenis te halen. De schrijver rekent ook af met de karikatuur van een volstrekt seculier zionisme dat niets meer zou hebben met de joodse traditie. Hij verbloemt niet dat veel zionistische leiders van het eerste uur zich zochten los te maken van het traditionele Oost-Europese Jodendom. Maar hij maakt duidelijk waar dat vandaan kwam. Niet in de eerste plaats van een afkeer van geloof in God maar van de diepe overtuiging dat de tijd meer dan rijp was voor een ander soort Jood. Een Jood die zichzelf, zijn gezin, zijn volk, zijn goed en have wist te verdedigen en zich niet langer weerloos liet afslachten.Een Jood die niet langer afhankelijk zou zijn van de welwillendheid van de gastheren in wier landen hij mocht wonen. De agenda van het zionisme was een nieuwe Jood in een eigen land.
Het ging om niets minder dan een wedergeboorte van het Joodse volk. Tot het opnieuw tot leven brengen van de eigen taal aan toe: het Hebreeuws als voertaal in plaats van het Jiddisch. Gordis beschrijft hoe de zionistische leiders van het eerste uur voorvoelden dat er in Europa geen toekomst voor de Joden meer zou zijn. Europa was langzamerhand levensgevaarlijk voor Joden geworden.
De rest van Gordis’ boek is minstens zo boeiend als het begin. Keer op keer raak je als lezer onder de indruk van de vasthoudendheid, de visie, de durf en ja, ook vaak de genialiteit van al die Joden die de realisatie van de staat Israël en de opbouw ervan hebben mogelijk gemaakt. Neem alleen al die beginjaren van 1950 tot 1955. Een piepjonge staat met bijna geen financiële middelen, die in staat en bereid was om in enkele jaren tijd net zoveel Joodse vluchtelingen uit de Arabische wereld te huisvesten als zijn eigen bevolking groot was. Onvoorstelbaar, maar echt gebeurd. Een staat die zich in veertig jaar tijd ontwikkelde van een agrarische economie tot wereldleider in hightech met meer beursgenoteerde hightech ondernemingen dan heel Europa bij elkaar. Is het dan uiteindelijk toch allemaal Joodse rozengeur en maneschijn volgens Gordis? Nee dus. Gordis beschrijft net zo goed de grote tegenstellingen en de onderlinge verdeeldheid die Israël parten spelen. Israël is nog niet af. Maar de afgelopen honderdvijftig jaar hebben zoveel onvoorstelbaars tot stand zien komen dat er bij Gordis hoop is voor Israëls toekomst. Het is bijzonder om in het laatste hoofdstuk,‘A Jewish renaissance in the Jewish State’, te lezen hoe een groeiend aantal Israëli’s momenteel teruggrijpt op de rijke spirituele religieuze erfenis van het Judaïsme. Gordis ziet dit als een heilzame correctie op het doorgeschoten secularisme van de zionistische beweging.

My Promised Land, the triumph and tragedy of Israel‘My Promised Land’ van Ari Shavit is minstens zo boeiend maar Shavit heeft voor een heel andere aanpak gekozen. Ook hij beschrijft het ontstaan en ontwikkeling van het zionisme en de Joodse staat. Maar anders dan Gordis doet hij dit vanuit wat je zou kunnen noemen een meer autobiografisch perspectief. Shavit is in Israël geboren. Zijn Engelse overgrootvader behoorde tot de allereerste pioniers die zich begin 1900 in Palestina vestigden. Hij beschrijft hoe hij als jongen van nog geen tien een onbestemde diepe existentiële angst ervoer. Angst dat het land waar hij woonde, zijn hele familie en hijzelf ooit overweldigd en weggevaagd zouden worden door een niet te stuiten vloedgolf van moorddadig verwoestend geweld. Angst voor die vijandige massale Arabische wereld waardoor het kleine landje waar hij woonde omgeven was. Dat besef is Shavit nooit helemaal kwijt geraakt. Het een na laatste hoofdstuk van zijn boek draagt de titel ‘Existential Challenge’. Het gaat over Iran en over de dreiging van een Iraans atoomwapen. De dreiging blijft voor Israël, en is in de ogen van Shavit op termijn zelfs groter dan ooit tevoren.
Shavit heeft maar liefst zo’n tien jaar aan zijn boek gewerkt. Tientallen mensen heeft hij ervoor geïnterviewd. Alles wat hij heeft onderzocht heeft hij waar mogelijk met dubbelcheck geverifieerd. Hij is in zijn research dus heel zorgvuldig te werk gegaan. Zijn pen is minstens zo vaardig als die van Gordis. Het boek blijft van begin tot eind boeien en levert een schat aan informatie op. Net als Gordis stond ook Shavit geen minutieus beschreven historisch overzicht voor ogen. Wat hij heeft gedaan is in 17 hoofdstukken die chronologisch zijn gerangschikt telkens een bepaalde episode uit de 120 jarige geschiedenis te nemen. Voor al die hoofdstukken is hij ter plekke op onderzoek uitgegaan. Ieder hoofdstuk is tegelijk een sfeertekening, een knap geschreven tijdsbeeld. Mensen en gebeurtenissen komen tot leven. Zo beschrijft hij in zijn eerste hoofdstuk het allereerste bezoek in 1897 van zijn overgrootvader aan toenmalig Palestina. Hoe zijn zionistische Joodse grootvader verrukt was over het land en in zijn verslagen met geen woord rept over de arabieren die er ook wonen. Shavit beschrijft hoe zijn overgrootvader de arabieren volledig over het hoofd zag. De zionistische beweging heeft volgens Shavit nooit goed raad geweten met de arabieren in het land. Shavits verhaal laveert in belangrijke mate tussen deze twee thema’s: de existentiële dreiging waar de de Joden en Israël al ruim honderd jaar mee te kampen hebben en het onrecht dat in zijn ogen veel Palestijnen hebben moeten lijden en deels nog lijden ten gevolge van de staat Israël. Zo is volgens Shavit de situatie in Samaria en Judea op termijn onhoudbaar voor zowel de Palestijnen als voor de Joodse staat zelf. Maar een oplossing hiervoor heeft ook Shavit niet. Beide houden elkaar volgens hem in de houdgreep. Zijn boek heeft niet voor niets de ondertitel ‘The triumph and tragedy of Israel’. Shavit is een zionist, maar bij hem mag dat nooit ten koste gaan van elementaire menselijke waarden. Hij wil dus ook rechtvaardigheid voor Palestijnen. Tegelijk ziet hij in dat dat wel van twee kanten moet komen en dat het aan de Palestijnse kant te vaak heeft ontbroken aan bereidheid om de Joodse kant van het verhaal te willen zien.
Een van de meest fascinerende hoofdstukken handelt over een lang interview dat hij heeft kunnen afnemen van een van de ingenieurs die de kernreactor van Dimona heeft gebouwd. Wanneer hij het interview afneemt is de man al in de tachtig. Het heeft veel voeten in aarde gehad voordat de ingenieur bereid was tot het interview. Praktisch alles wat hij jaren eerder in Dimona gedaan heeft valt immers nog steeds onder staatsgeheim. Tot de dag van vandaag houdt Israël de hele wereld nog steeds in het ongewisse of de staat over kernwapens beschikt. Het wordt niet ontkend noch bevestigd. Tegelijk neemt praktisch iedereen aan dat Israël inderdaad kernwapens heeft. Het gesprek met de oude ingenieur verloopt dus in een bijna urrealistische sfeer. Shavit wil een gesprek en de ingenieur is voortdurend op zijn hoede wat hij zegt en hoe hij het zegt. Hij kan niet veel zeggen maar wil toch zijn verhaal kwijt. Het is fascinerend om te lezen en werpt weer ander licht op hoe Israël altijd maar weer gedwongen is om de niet aflatende existentiële dreiging het hoofd te bieden. Met een wapen dat de Joden hopen nooit te hoeven gebruiken.

Deze vier boeken hebben me opnieuw aan het denken gezet. Ze hebben me laten zien wat een worsteling het voor Israëli’s is om te leven in een land dat nu al decennialang omringd wordt door onverzoenlijke vijanden die moord en doodslag niet schuwen. En geen uitzicht op een oplossing van het conflict. De worsteling om niet verbitterd te raken en vooral om niet te gaan haten. Want dat wil je niet, dat past niet bij je Jood zijn. De worsteling ook om te leven in een land dat door een groot deel van de wereld altijd maar weer overladen wordt met kritiek en zelden op begrip en steun kan rekenen, laat staan op waardering. De boeken hebben me opnieuw, nog duidelijker, laten zien dat het conflict dat Israël met onverzoenlijke buren heeft menselijk gesproken onoplosbaar lijkt. Er is domweg geen bereidheid aan de andere kant om het bestaansrecht van de Joodse staat te erkennen en op basis daarvan een werkelijke vrede te sluiten. Hoe bitter is dat. En wat een verantwoordelijkheid legt dat op onze christelijke schouders. De verantwoordelijkheid om Israël nooit te laten vallen. Om Israël te zegenen en niet te vervloeken. En last but not least om te bidden voor de vrede van Jeruzalem. Want die zal komen, hoe dan ook, vroeg of laat. Geen twijfel mogelijk daarover.