Alle dingen zijn mogelijk bij God

George Whitefield: een revolutie in evangelisatie

Door J. Bol

Inleiding

In 1737 schrijft  Charles Wesley in zijn dagboek: The whole nation is in uproar/het hele land staat op zijn kop. Oorzaak? Een zekere George Whitefield, in juni het jaar ervoor in de Anglicaanse kerk in het ambt bevestigd is in Gloucester, Bristol en Londen gaan preken over wedergeboorte, bekering en redding door geloof en genade alleen. De man is 22 jaar, nog aan het studeren aan de universiteit van Oxford en twee jaar eerder tot wedergeboorte gekomen. Zijn prediking slaat in als een bom. Binnen de kortste tijd hangen menigten mensen aan zijn lippen. In Londen is hij binnen enkele weken zo geliefd dat hij zich niet meer te voet op straat kan vertonen. Noodgedwongen verplaatst hij zich per koets van de ene kerk naar de andere. En overal waar hij preekt puilen de kerken uit. Wat is er aan de hand in dit land? En wie was deze man? Eerst iets over de man, dan wat over het land.

Jeugd

George Whitefield werd geboren op 16 december 1714 in de Engelse stad Gloucester, niet ver van Bristol. Hij stamde uit een geslacht waarin veel predikanten voorkomen die aan de universiteit van Oxford hadden gestudeerd. Zijn ouders waren eigenaar van het grootste hotel in Gloucester, een fors en goed lopend bedrijf met de naam Bell Inn. Zijn vader stierf op 35 jarige leeftijd. George is dan net twee jaar oud. De familie bezoekt de Anglicaanse kerk. De zorg voor het gezin met zeven kinderen en het bedrijf ligt nu op de schouders van Elizabeth Whitefield alleen. Het is uiteraard zwaar maar zij wist het goed te redden. Wanneer George bijna 8 jaar is hertrouwt zijn moeder met Capel Longden , zelf een weduwnaar. Het blijkt al snel een zeer ongelukkig huwelijk dat na een ernstige crisis zes jaar later in een scheiding eindigt. Een grote tragedie. Ook de zaken van het hotel hebben er zwaar onder geleden. Desondanks heeft Elizabeth alle aandacht voor haar kinderen en in het bijzonder voor George. Het was haar grote verlangen dat hij in Oxford zou gaan studeren. Maar geld daarvoor is er niet meer.  15 jaar oud onderbreekt George zijn middelbare school om zijn moeder te gaan helpen in het bedrijf. Regelmatig is hij verantwoordelijk voor heel het reilen en zeilen van het hotel. En het gaat hem goed af. Na een jaar pakt hij toch de draad weer op en voltooit zijn middelbare school. Hij  beheerst Grieks en Latijn al in grote mate voordat hij aan zijn universitaire studies zou gaan beginnen. Als tiener haalt hij het nodige uit. In zijn dagboek schrijft hij over worstelen met en toegeven aan zonde. Zijn grote hobby was toneelstukken uit zijn hoofd leren. Zijn acteertalent en welbespraaktheid vallen zo op dat hij verschillende keren namens de school voor het stadsbestuur mag optreden. Bijna 17 jaar oud besluit hij zich heel serieus te gaan voorbereiden op het deelnemen aan het heilig avondmaal met Kerstmis. Hij wordt nauwgezetter in gedachte, woord en daad. De middelbare scholier gaat vasten, neemt dagelijks tijd voor gebed, gaat geestelijke boeken lezen, gaat iedere dag twee maal naar de kerk en leest dagelijks zijn Grieks Nieuwe Testament. Deze strakke discipline zou hem heel zijn leven blijven kenmerken. Maar ondanks al die religieuze activiteiten was Whitefield niet wedergeboren.

Studeren in Oxford, ontmoeting met de Wesleys

November 1732 begint hij aan zijn universitaire studie in Oxford. Er is nog steeds geen geld maar hij kan gaan studeren als ‘servitor’. Je was dan hulpje voor drie a vier ouderejaars studenten. Het was de laagste positie die je als student aan de universiteit kon hebben. Boodschappen doen, schoenen poetsen en kamers van de ouderejaars opruimen. Hij verdient daar een beetje geld mee, net genoeg om te kunnen studeren. Een hard en zwaar leven maar Whitefield doet het allemaal blijmoedig. Hij studeert zeer ijverig. Intussen intensiveert hij zijn religieuze toewijding: ‘Ik begon drie maal per dag te bidden en psalmen te zingen en iedere vrijdag vastte ik’. Whitefield leidt een eenzaam bestaan, hij houdt zich afzijdig van de vele medestudenten die regelmatig de beest uithangen en een potje van hun studie maken. Dat verandert wanneer hij een jaar later in oktober door Charles Wesley in de Holy Club geïntroduceerd wordt. De naam ‘Holy Club’ (Heilige Club) was in feite een spotnaam, bedacht door studenten die de religieuze toewijding van de leden zeer overdreven vonden. De groep stond onder leiding van John Wesley en zou een paar jaar later de geboortewieg van de opwekking en de methodistenbeweging blijken. John Wesley noemde dit gezelschap ‘Our Company’ (Ons gezelschap).  De Holy Club legt zich toe op zelfverloochening, doet aan zorg voor de armen en bezoekt de gevangenen. Ze bezoeken dagelijks de Anglicaanse kerkdiensten, lezen en bespreken geestelijke literatuur.  Medestudenten geven hun nog een andere scheldnaam: ‘methodisten’. Zonder de ijver, ernst en discipline van deze mannen was de grote opwekking die een paar jaar later zou uitbreken zeer waarschijnlijk nooit mogelijk geweest. God was een leger aan het voorbereiden en hier was hij met de training van de generaals bezig.

Het verval in het Engeland van die dagen

Maar zo religieus als ze waren, deze mannen wisten nog niet van wedergeboorte, bekering en behoud door geloof en genade alleen. Het ging om goede werken, om het navolgen van het voorbeeld van Christus. Veel meer werd er niet gepredikt in het Engeland van die dagen. Het radicale verlossende evangelie uit de tijd van de Reformatie en de Puriteinen was sinds 1662 in Engeland meer en meer bedekt geraakt onder een moraliserende en deïstische prediking. De godheid van Christus werd openlijk ontkend. Dit leverde Engeland natuurlijk allemaal niets op. Het morele verval was ontstellend en nam steeds ernstiger vormen aan. De adel werd met het jaar decadenter. Intussen was de traditionele maatschappij en bijbehorende sociale verbanden uit de tijd van de middeleeuwen in rap tempo aan het verdwijnen. Een van de gevolgen was een massale trek van het platteland naar de steden. Dit resulteerde in een sterk groeiend leger van  armen en daklozen. Tot overmaat van ramp was de situatie in de anglicaanse kerk zeer bedroevend. De meeste bisschoppen eigenden zich grote salarissen toe en leefden vaak in weelde. De hoge heren speelden elkaar de vetbetaalde mooie banen toe. Voor de gewone predikanten was nauwelijks geld beschikbaar. Veel predikanten op het platteland waren door de week veeboer of landbouwer om de kost te verdienen en niet geïnteresseerd in hun bediening. Toen een bisschop een predikant berispte vanwege dronkenschap antwoordde de predikant dat hij toen niet ‘on duty’ (in dienst)  was. Waarop de bisschop antwoordde: is een predikant dan niet altijd on duty? Het zal u niet verbazen dat de prediking vaak niets voorstelde. Alcoholisme was uitgegroeid tot een immens nationaal probleem. In het parlement deed een politicus de volgende vertwijfelde uitspraak: ‘Gin heeft het Engelse volk gemaakt tot iets wat ze voorheen nooit zijn geweest: wreed en onmenselijk’. Voor meer dan 150 vergrijpen kon men de doodstraf krijgen. Onder andere voor het uitgeven van een vals pondbiljet. Zo kon het gebeuren dat een arme zwangere vrouw aan de galg bungelde omdat ze zonder het te weten met een vals pondbiljet had betaald’  Al die zware straffen hielpen niets tegen de almaar groeiende criminaliteit. Land en kerk holden zo hard achteruit dat iemand van de regerende adel voorstelde om het woordje ‘niet’ uit de Tien Geboden te laten verwijderen en het op te laten nemen in de geloofsbelijdenis’  De moraliserende prediking die uitging van de goede bedoelingen en eigen inspanning van de mens had volledig gefaald.

De ‘societies’: een gelovige rest

Toch was er ook in het Engeland van die dagen nog een gelovige rest, een ‘remnant’. Die mensen waren te vinden in de zogenaamde societies. Dit waren gezelschappen naast de kerken waar gelijkgezinde gelovigen wekelijks samenkwamen om elkaar te bemoedigen, samen te bidden en de Bijbel te lezen.  Er waren societies die zich toelegden op evangelisatie, anderen vooral op gebed of andere  christelijke activiteiten. In deze societies waren de mensen te vinden die niet wilden meegaan met het verval in hun tijd. Er waren societies in Engeland maar ook in Amerika waar mensen al decennia lang baden om een machtige hernieuwde uitstorting van de Heilige Geest over de kerk van Christus. Deze mensen wisten wat bidden met volharding is! Deze gebeden stonden nu op het punt verhoord te gaan worden. Het waren de mensen van de societies die in grote getale als eersten op de prediking van Whitefield zouden afkomen. Voor hen was deze prediking niets minder dan een gebedsverhoring.

Het leven van God in de ziel van de mens: bekering

De leden van de Holy Club wilden hun leven radicaal aan God toewijden. Ze lazen veel, maar waren volkomen onbekend met de boeken van de Reformatie en de Puriteinen. Maar in de loop van 1734 kreeg Whitefield een boekje in handen van een Schotse theoloog Henry Scougal: The life of God in the soul of man / Het leven van God in de ziel van de mens. Whitefield is ondersteboven van wat hij leest. In dit boekje werd op heldere en indringende wijze wedergeboorte en behoud door genade en geloof alleen uiteengezet. Hier had hij nog nooit van gehoord.  Het was hem al snel duidelijk dat de leden van de Holy Club met al hun religieuze ijver en goede bedoelingen op een  verkeerd spoor zaten. Dit was voor Whitefield het begin van zijn worsteling om deel te krijgen aan dit nieuwe leven in Christus. Het zou meer dan een half jaar duren voor het zover was. Hij wist werkelijk niet hoe dat te bereiken. Niemand in zijn omgeving leerde het, niemand sprak over wedergeboorte, niemand kende het. Whitefield tastte letterlijk in het duister. Hij had een enorm sterk besef van eigen zonde en verlorenheid. Uiteindelijk heeft hij zich letterlijk bijna dood gevast en gebeden om dit nieuwe leven in God  te vinden. Het heeft niet veel gescheeld of het had inderdaad zijn leven gekost. In zijn dagboek schrijft hij hierover: ‘Ik was vastbesloten om ofwel te sterven ofwel te overwinnen’ (Kom ik om dan kom ik om’) Over radicaal gesproken. Uiteindelijk lag hij zeven weken op bed, ziek, ernstig verzwakt en uitgeput. Maar toen hij bijna van uitputting bezweek brak het licht van Gods liefde en genade met volle kracht door. Whitefield had eindelijk gevonden waar hij zo hartstochtelijk naar op zoek was: Het leven van God in de ziel van de mens. Hij was wedergeboren en had heilszekerheid, volle verzekerdheid van het geloof. We schrijven juni 1735. Hij is dan 20 jaar oud. Wat een intense  vreugde, wat een intense diepe beleving van de liefde van God was nu zijn deel. Dit zou hij zou nooit meer kwijt raken. In zijn dagboek schrijft hij: ‘Het behaagde God om de zware last van me af te nemen, en me in staat te stellen met een levend geloof mijn vertrouwen in zijn Zoon te stellen. Oh, met wat een onuitsprekelijke vreugde, met wat een enorme grote vreugde werd mijn ziel vervuld toen de last van de zonde van me af viel’

Wakker schuddende prediking

Hier hebben we meteen een heel wezenlijk onderdeel van de Great Awakening die niet lang hierna zou aanvangen te pakken. Het intense diepe zondebesef dat vooraf ging aan de intense blijdschap die met bekering en wedergeboorte gepaard ging. Dit zie je voortdurend terugkomen door heel die opwekkingsbeweging van de 18e eeuw heen. Al de grote predikers in deze beweging zoals Howel Harris,  John en Charles Wesley, Jonathan Edwards,  John Cennick  en natuurlijk Whitefield zelf, allen kenden ze zo’n intens beleefde bekering. Het is van de zonde dat het Evangelie verlost en deze mannen waren daar door eigen intense ervaring diep van doordrongen. De Heilige Geest overtuigt van zonde gerechtigheid en oordeel. De hele opwekking was natuurlijk een werk van de Heilige Geest. Deze mannen werden diep door God voorbereid om hele volken uit hun geestelijk slaap wakker te schudden.  Dit is ook wat ze predikten. De toorn van God over de zonde van de mens en de liefde en de kracht van God in het verlossende Evangelie van Jezus Christus, Gods Zoon die in onze plaats stierf voor onze zonden. Wat een contrast met de opknapbeurt die tot dan toe in het overgrote deel van de kerken werd gepreekt. Er viel niets op te knappen!  ‘Jullie zijn half beesten en half duivels’ zouden de mensen van Whitefield te horen gaan krijgen. Er valt niets op te knappen. Een nieuwe schepping in Christus, een wedergeboren volkomen nieuwe mens, alleen dat is afdoende. Rechtvaardiging door het geloof in Christus alleen. Alleen daarmee kun je voor God verschijnen. Alleen zo kom je de hemel en ontkom je aan de eeuwige straf in de hel. Dat preekten de opwekkingspredikers. En talloze mensen werden diep geraakt, diep overtuigd van hun zonden. In grote getale kwamen ze onder belijdenis van hun zonden tot geloof in de Zoon van God die voor hen gestorven was. Kennen we dit nog tegenwoordig? Die diep ingrijpende prediking van zonde schuld en verlorenheid gepaard gaand met dat heel ruime gunnende aanbod van genade. Kennen we dat nog wel in onze tijd?

Wat een contrast met het gemak waarmee in vooral veel evangelische  kerken mensen tegenwoordig mensen worden opgeroepen om te ‘kiezen voor Jezus’.  Waar vind ik dat trouwens in het Nieuwe Testament: dat we zomaar zouden kunnen kiezen voor Jezus?  In mijn Bijbel kan ik het in ieder geval niet vinden.(1) Tegelijk wordt Gods keuze voor óns, de uitverkiezing, in diezelfde kerken nauwelijks genoemd. En die keuze staat wél heel duidelijk vermeld in mijn Nieuwe Testament. Hoe bijbelgetrouw zijn wij evangelischen dan eigenlijk? Of hebben we hier niet gewoon ongemerkt een knieval gemaakt voor de tijdgeest en het dogma van de moderne mondige consument. Wij kiezen anno 2003 uit de schappen van het overvloedige religieuze aanbod. Wat een illusie! Maar terug naar Whitefield.

Bevestigd tot predikant

Whitefield is direct na zijn bekering een enthousiast en levend getuige. Familie en kennissen staan versteld van de verandering die hij heeft doorgemaakt. Hij steekt de intense blijdschap over het nieuw gevonden geloof dan ook niet onder stoelen of banken.  Intussen heeft hij de gewoonte om om 22.00 uur naar bed te gaan en 4.00 op te staan. Deze strakke discipline zou heel zijn leven volhouden. Je heet niet voor niets methodist’. Iedere morgen leest hij op zijn knieën zijn Griekse N.T. met daarnaast het commentaar van Matthew Henry. Hij bidt letterlijk over ieder woord en elke zin die hij leest. Biddend drinkt Hij het Woord in, woord voor woord, gedachte voor gedachte. Hier legt hij de basis van waaruit hij de rest van zijn leven veelvuldig zal putten voor zijn talloze, dagelijkse preken, vaak uit het hoofd en zonder aantekeningen. Of kan je beter zeggen: uit het hart? Intussen zet hij de Holy Club discipline van het bezoeken van de gevangenen en zorg voor de armen voort. Drie maal per dag gaat hij op vaste tijden in gebed. De 16e van elke maand vast hij om zijn zonden aan God te belijden. Dit alles maakt zo’n indruk dat het zelfs bisschop Benson ter ore komt. Die biedt aan om hem ondanks zijn jonge leeftijd in het ambt aan te stellen als hij met zijn universitaire studie ver genoeg gevorderd is. Whitefield is pas 21 en worstelt enorm met dit aanbod hoewel hij al lang met het diepe verlangen rondloopt om predikant te worden. Hij schrijft hierover ‘Alleen God weet hoe ik als een berg opzag tegen die stap om predikant te worden en tegen de verantwoordelijkheid van de prediking. Ik heb wel duizend maal gebeden, tot het zweet over mijn gezicht gutste, dat God me niet tot deze bediening in zijn kerk zou toelaten voordat Hij zelf mij roepen zou, en me als het ware tot dit werk zou dwingen. Ik zei: Heere, ik kan niet gaan: ik zal opgeblazen zijn van trots en in de valstrik van de duivel verstrikt raken’. Zo was de man, uiterst beducht voor de ontzagwekkende taak die hem wachtte.  Na een tijd van worsteling in gebed en vasten ontvangt Whitefield vrijmoedigheid van God om deze in zijn ogen ontzagwekkende taak op zich te durven nemen. Kort ervoor schrijft hij: ‘Ik sta op het punt bevestigd te worden en mijn academische graad te behalen. Wat er van me worden zal weet ik niet. Ik kan alleen maar zeggen dat ik in dit leven voortdurende conflicten en strijd verwacht; aan deze kant van de eeuwigheid verwacht ik geen andere vrede, slechts die van het kruis’. 20 Juni 1736 wordt hij bevestigd in het ambt door bisschop Benson. Na zijn bevestiging  schrijft hij in zijn dagboek: ‘Ik hoop dat slechts één motief mij drijven zal:  het welzijn van zielen en de eer van God. Ik zal kiezen voor vrijwillige armoede en alles wat ik heb zal ik geven aan de armen’. Dit bleek geen mooi voornemen, dit heeft hij heel zijn leven waar weten te maken. Whitefield kende geen verborgen agenda, hij was nooit uit op zijn eigen belang, eigen positie. De man is altijd volkomen transparant geweest in zijn motieven en zijn daden. Zoals hij zichzelf al wegcijferde voor zijn wedergeboorte, zo deed hij dat consequent ook daarna, heel zijn leven lang. Hij heeft zichzelf volkomen weggegeven aan God en voor het Evangelie. Even later schrijft hij in zijn dagboek: ‘Ze willen dat ik preken ga, maar als ik het zover is, zal ik ze de waarheid vertellen en dat zal men niet plezierig vinden”

Opwekking en Bethesda

Toch was die reactie in eerste instantie anders dan Whitefield leek te verwachten. Het jaar daarop, in 1737, preekt Whitefield twee maanden in Londen en later ook in Bristol. De kerken in Bristol puilen uit, zo vol dat hij zelf nog slechts met de grootst mogelijke moeite de preekstoel kan bereiken. De hele dag door willen mensen hem spreken over hun zielenheil.  Een paar citaten uit zijn dagboek: ‘Soms moesten net zoveel mensen buiten bij gebrek aan ruimte onverrichterzake huiswaarts keren als er binnen in de kerk zaten; dan kon ik alleen met de grootst mogelijke moeite de preekstoel bereiken om te bidden en te preken. Uit allerlei kerkgenootschappen stroomden de mensen toe om te komen luisteren. En wanneer de preek erop zat werd ik gevolgd door een menigte van mensen in tranen. De volgende dag was ik van zeven uur ’s ochtends tot middernacht praktisch onafgebroken bezig met het geven geestelijke adviezen aan mensen die door de prediking diep in hun hart geraakt waren’. Het zijn de al genoemde ‘societies’ die plotseling een enorme groei doormaken door de prediking van Whitefield. Het zijn deze societies die een strategische rol zouden gaan spelen in de opwekking die nu begonnen was.’Hij was een en al vuur en geloofsijver’ schrijft zijn biograaf  Arnold Dallimore. Tussen de periodes van preken door rondt hij de rest van zijn studie in Oxford met succes af. Zijn vrienden John en Charles  Wesley zitten dan als zendelingen in Georgia, een 10 jaar jonge engelse kolonie in Amerika. Het is daar nog uiterst primitief en ze schrijven Whitefield brieven met het dringende verzoek om hen te komen assisteren om een weeshuis op te zetten voor straatkinderen. Ja ook toen al’. Whitefield ervaart dit als een roeping van God en neemt de meest ingrijpende beslissing van zijn leven. Hij neemt de taak op zich om dit weeshuis op te zetten en te leiden. Hij is nu 22 jaar oud. Bethesda, zo zou het gaan heten in Savannah Georgia zou een zeer zware last blijken die hij heel zijn leven gedragen heeft. De bouw in die primitieve omstandigheden bleek erg veel geld te gaan kosten en de verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen in combinatie met al zijn rondreizende prediking zou een zware fysieke tol gaan eisen. Bethesda is een grote zegen geweest voor veel kinderen en het begin van een belangrijk stuk christelijk sociaal werk in Amerika. Whitefield heeft de zorg voor dit project heel zijn leven met de grootst mogelijke toewijding op zich genomen. Dit was een ander wezenlijk aspect van deze opwekkingsbeweging van de Methodisten: de zorg voor de verschoppelingen de sociaal zwakken: wezen, armen, werkelozen, gevangenen, de negerslaven. Dit kenmerkte Whitefield, dit kenmerkte de Wesleys, dit kenmerkte de hele methodistische opwekkingsbeweging: het organiseren van daadwerkelijke praktische hulp voor de mensen die aan de rand van de maatschappij kopje onder dreigden te gaan. In die zin was het voor een belangrijk deel een beweging van de armen. Het Leger des Heils van William Booth staat helemaal in deze methodistische opwekkingstraditie. Het evangelie kwam niet alleen in woorden. Scholen werden gesticht, ziekenhuisjes, apotheken en allerlei andere initiatieven werden genomen zoals het verbeteren van het gevangeniswezen en later het afschaffen van de slavenhandel. Deze predikers gaven niet alleen zichzelf helemaal, ze gaven ook hun geld, hielden niets voor zichzelf.

Whitefield hoopte in de zomer al naar Georgia af te reizen, maar moest tot januari 1738 wachten voor het zover was. In afwachting hiervan preekte hij weken aan een stuk dagelijks in allerlei kerken in Londen. Kerken die gewoonlijk slecht bezocht werden zaten nu stampvol. En tussen de diensten door klampten de mensen hem voortdurend aan. Men vroeg zijn gebed, wilde hem vertellen hoe intens blij ze waren met hun nieuwe geloof of wilden raad. Vaak had hij nauwelijks tijd om te eten. En dat ging weken zo door, dag in dag uit. Het zou heel zijn leven zo doorgaan waar hij maar kwam. Londen stond op zijn kop. Iedereen had het over deze jonge prediker. Hij was een fenomeen.  Ryle schrijft over hem dat hij van begin af aan tot aan zijn dood onafgebroken geliefd was bij de grote massa. Zijn vijanden zouden vooral de predikanten en kerkleiders zijn die hun gezapige rustige leventje pijnlijk verstoord zagen door deze massale opleving van echt geloof. Anderzijds kwamen predikanten door zijn prediking van de wedergeboorte ook zelf tot een levend geloof.

‘The christian world is in a big sleep / De christelijke wereld verkeert in een diepe slaap’ zo lezen we in Whitefields dagboek. Maar het wakker schudden was begonnen. De Great Awakening is een feit! En dit was nog maar het begin. Volgens Whitefields biograaf Arnold Dallimore is deze opwekking de grootste  sinds de tijd van Handelingen geweest.

Naar Amerika

Begin 1738 reist Whitefield af naar Georgia in Amerika. Van deze eerste reis bestaat een prachtige anekdote. De reis ging via Gibraltar. Vandaar ging men met drie schepen met soldaten naar Georgia. Whitefield wist in enkele weken het vertrouwen van de commandant en soldaten te winnen. Op gegeven moment kreeg hij toestemming om te beginnen met dagelijkse kerkdiensten op het bovendek. Deze werden steeds massaler bezocht. De kapitein zorgde met planken voor provisorische banken en als Whitefield ging preken kwamen de andere twee schepen langszij varen. En ook daar was het een en al aandacht aan dek voor deze bijzondere jonge predikant. Het schip met Whitefield aan boord voer in het midden en op alle drie de schepen kon men de jonge predikant woordelijk verstaan. Wat een schouwspel moet dat geweest zijn, zo midden op de Atlantische oceaan’   In totaal zou Whitefield tijdens zijn leven 13 maal de oceaan oversteken, wat in die dagen bepaald geen comfortabele reis betekende. Over zijn eerste verblijf in Georgia kan ik in dit bestek helaas niet verder uitweiden. Voortvarend begon hij aan de bouw van het weeshuis en dat slaagde wonderwel. De jonge Whitefield blijkt een begenadigd organisator.

Een uniek prediker

Wat was het nu dat mensen telkens weer aan zijn lippen deed hangen? Wat bracht menigten van tot soms 40.000 mensen op de been om naar deze evangelist te komen luisteren? Wat was zo uniek aan Whitefield ? Een paar dingen. Whitefield hield intens veel God. Zijn liefde voor en bewogenheid met mensen was echt, sterk en voelbaar. Zijn christendom was een ‘feeling’ christendom’. Voor hem was Jezus, God een realiteit die hij beleefde. Hij preekte wat hij noemde een ‘felt Christ’  (een Christus die werkelijk ervaren wordt, niet slechts in woorden). Hij had een zeer aangenaam opgewekt karakter. Dit blijkt keer op keer uit zijn dagboeken. Daarnaast was Whitefield op een volstrekt unieke manier welsprekend. Zijn stem was uniek, letterlijk als muziek om naar te luisteren. Hij had een unieke beheersing over zijn stem en zijn gebaren. Whitefield had met gemak een van de grootste acteurs van zijn tijd kunnen worden. De beroemdste acteur in het Engeland van die dagen, Garrick,  ging uitsluitend om die redenen naar Whitefield luisteren. De man zei dat hij er 100 pond voor over had om Mesopotamië te kunnen zeggen zoals Whitefield dat kon.’ In die tijd een kapitaal, en Garrick meende het. Het unieke van Whitefield was dat dit alles bij hem volkomen echt en natuurlijk was, niets was gemaakt. En zo kwam het ook over. Dan was hij in zijn jonge jaren ook nog eens een knappe verschijning. De ‘seraf’ was een van zijn bijnamen. John Wesley noemde hem ‘the angel guest’ (de engel die ons bezoekt) . Een Arabisch gezegde luidt aldus: de grootste spreker is hij die de oren van mensen in ogen kan veranderen. Dit kon Whitefield als geen ander. Hij was in staat om mensen letterlijk te laten beleven waarover hij sprak. Als hij over het sterven van Jezus sprak, dan stond je op Golgotha, sprak hij over de hel, dan keek je daar als het ware naar binnen. Je kunt je misschien enigszins voorstellen wat het effect van zo’n prediking was. Dallimore schrijft hierover: ‘Zo’n geestelijke vreugde verklaart voor een deel de buitengewone wijze waarop mensen tot zijn prediking en bediening werden aangetrokken. Anderen spraken ook over de dingen van God, maar op zo’n manier dat het op niet meer dan droge theorieën leek. Maar als Whitefield over dezelfde dingen sprak was alles ineens vol leven, betekenis en kracht’ Whitefield was altijd enorm intens bewogen met het zielenheil van de mensen tot wie hij sprak. Het was voor hem hemel of hel, gered of verloren. Er ging dan ook geen preek voorbij of er liepen tranen over zijn gezicht. Het effect laat zich raden. Maar als je met 30.000 man naar hem luisterde kon je,  wanneer je achteraan stond, die tranen natuurlijk niet zien. En dat brengt ons op het enorme bereik van zijn stem. Hij was in de open lucht op honderden meters afstand woordelijk te verstaan. Wanneer je bedenkt dat hij dertig jaar aan een stuk ongeveer duizend keer per jaar voor grotere en kleinere groepen preekte, kun je bedenken wat een enorme aanslag dit alleen al op zijn longen en stembanden geweest moet zijn. Hij was geregeld zeer uitgeput en spuugde nogal eens bloed. Op 55 jarige leeftijd, in 1770 stierf hij  onverwacht in Amerika aan een astmatische aanval. George Whitefield was een evangelist met harte en ziel. Zoveel is wel duidelijk. Maar kunnen we hier spreken van een revolutie in evangelisatie? Ik denk het wel.

Kingswood: het begin van een revolutie in evangelisatie

Whitefield is de vader van wat in de Angelsaksische wereld ‘the aggressive system’ ( ‘de agressieve benadering’) wordt genoemd. Dit begrip staat voor een evangelieverkondiging waarbij niet wordt afgewacht wie er op af zullen komen. Neen, de prediker / evangelist gaat zelf actief af op die mensen waarvan hij weet dat ze het evangelie nog niet kennen. In de nood van zijn tijd zag Whitefield al heel snel dat het parochiesysteem van de anglicaanse kerk niet meer voldeed. Een grote massa van vooral armen kwam helemaal niet meer in de kerk. En in veel kerken werd het evangelie helemaal niet werkelijk gepredikt. Whitefield wilde de grote massa bereiken. Het roer moest om. Hij  ging overal preken waar de mensen maar naar hem wilden luisteren. En dat bleek letterlijk overal te zijn. Als anglicaans predikant vroeg hij zijn collega  predikanten toestemming om in hun kerk te mogen preken. In het begin, 1737, gingen alle deuren nog voor hem open. Maar twee jaar later na zijn terugkeer uit Georgia bleek de stemming omgeslagen. Whitefield was een bedreiging geworden voor het kerkelijk establishment. Dan besluit hij tot een in Engeland volkomen nieuwe aanpak: openlucht prediking. Al langere tijd is hij zeer bewogen met de mijnwerkers die net buiten Bristol wonen en werken. Deze mensen leefden in grote armoede en sociale ellende in krottenwijken. Het was ruig volk, gevreesd bij de gegoede burgerij. In de kerk kwamen ze nooit en een predikant hadden ze zelden of nooit gezien. En dan staat daar ineens deze jonge Whitefield. Zaterdag 17 februari 1739 preekt hij voor het eerst in de open lucht tot de mijnwerkers van Kingswood. Het is steen en steenkoud, de strengste winter sinds mensenheugenis. Whitefield preekt voor hen uit Matth. 5:1-5: Zalig de armen van geest. Een groepje mijnwerkers kijkt sprakeloos toe. Tijdens de preek ontstaan er witte strepen op hun zwarte gezichten. Het zijn de tranen die over het kolengruis op hun gezicht lopen.  Vier weken later preekt Whitefield al twee keer iedere zondag voor enkele duizenden van deze mijnwerkers en hun gezinnen. Velen komen tot blijvend geloof. Ze organiseren zich in nieuwe societies. Een jaar later staat er in Kingswood een school voor hun kinderen. Gefinancierd door Whitefield en zijn vrienden en bijdragen van henzelf. De open lucht prediking blijkt een enorm succes. Dit is de geboorte van de methodistenbeweging. Whitefield trekt nu een belangrijke conclusie: overal waar hem de  preekstoel geweigerd wordt zou hij in de openlucht gaan prediken. Kort daarna treffen we hem in Londen. Het jaar 1739 zou de mooiste tijd uit zijn leven worden. In Londen gaat hij preken in de grote parken Kennington Common en Moorfield. Daar houdt zich de onderklasse van die dagen onledig met alles wat God verboden heeft. Soms sloegen ze en masse in Londen de boel kort en klein. ‘Mister Mob’ / ‘Meneer Gepeupel’ (het waren enkele duizenden mensen) werden ze genoemd en ze waren gevreesd bij de gegoede burger. Whitefield was vastbesloten aan deze groep het Evangelie te brengen. Zijn vrienden van de societies drongen er op aan dat niet te doen. Hij zou er niet levend vandaan komen. Maar Whitefield ging. Tegen alle verwachting in wordt hem geen strobreed in de weg gelegd. Integendeel, er wordt hem zelfs een provisorische preekstoel bereid.  Binnen korte tijd preekt hij in deze parken dagelijks tot menigten van ruim 30 000 personen. En dat ging weken aan een stuk, dag in dag uit, zo door. Een ontzagwekkend gebeuren. Voor Whitefield zaten in een halve cirkel een paar honderd van zijn medestanders op hun knieën in gebed. Vlakbij hem de kinderen die aan zijn lippen hangen.  Whitefield was gemakkelijk te volgen, hij preekte niet ingewikkeld. Hij richtte zich tijdens zijn prediking ook tot de kinderen, die vaak diep geraakt waren. Zo was er een keer een kind van acht jaar dat onder zijn prediking tot geloof was gekomen. Kort daarna werd het kind ernstig ziek. Toen het op sterven lag zei het in alle rust: ‘Ik ga naar de God van Mister Whitefield’.  Tallozen van deze mensen kwamen tot blijvend geloof en sluiten zich aan bij de societies. Levens veranderden radicaal. Maar het blijft niet bij de armen. Aan de rand van de menigte stonden vaak de koetsen van de rijken en tientallen mensen te paard. En ook uit deze bovenlaag van de maatschappij komen er tot geloof. Nu stond Londen echt op zijn kop. In de koffiehuizen en de dagbladen was religie nu het gesprek van de dag in deze wereldstad. En het onderwerp was wedergeboorte. Iedereen had het erover. De kerken en de toenmalige societies kregen een geweldige impuls. Het Evangelie begon krachtig terrein te winnen temidden van al het verval. In dit zelfde jaar 1739 weet Whitefield de gebroeders John en Charles Wesley te overtuigen om ook tot open lucht prediking over te gaan. En ook zij boeken al snel grote successen. Schouder aan schouder prediken de drie tot grote massa’s mensen. Net als Whitefield zouden ook de Wesleys tientallen jaren door heel Engeland in de open lucht het evangelie blijven prediken. En er volgden er meer.  Wat een tragedie dat een paar jaar later het conflict met John Wesley over het leerstuk van  de uitverkiezing de methodisten beweging zou splijten. Ik wil daar omwille van de tijd in dit verband alleen over zeggen dat Whitefield er werkelijk alles aan gedaan heeft om deze scheuring te voorkomen en later om haar te helen. In augustus dat zelfde jaar verlaat hij Engeland voor zijn tweede reis naar Amerika. Het werk in Bethesda, het net opgezette weeshuis, roept. Wanneer hij in oktober in Delaware aankomt reist hij eerst naar Philadelphia. Al snel preekt hij ook in Amerika in allerlei kerken en in de open lucht. En ook hier trekt zijn prediking binnen de kortste tijd grote massa’s mensen. Duizenden mensen komen tot geloof en sluiten zich aan bij de kerken. In de periode 1740-1743 ontstaan in Amerika maar liefst 150 !!! nieuwe kerken. Let op, Whitefield stichtte nooit zelf kerken. Hij was zoals hijzelf zei the servant of all (dienaar van allen). Alle denominaties profiteerden van deze enorme geestelijke impuls. Het was een grootse triomftocht voor het Evangelie. De kerken   bloeien als nooit tevoren. Er komen zo ontzettend veel mensen tot levend geloof dat sommige  christenen werkelijk gaan denken dat het duizendjarig rijk is aangebroken.

Dit is het begin geweest van wat de Engelsen ‘the agressive system’ noemen.  Niet wachten tot de mensen naar de kerk komen maar actief erop uit gaan om de mensen daar te bereiken waar ze zijn. Waar dat dan ook is. En wie dat dan ook zijn: kinderen en volwassenen, mensen van andere culturen, misdadigers, gevangenen, maar ook de dure elite. Het maakt allemaal niet uit, iedereen heeft Christus nodig. Het zou het kenmerk van heel veel later evangelisatie- en zendingswerk worden.

Zelfverloochening

En zo is Whitefield al de jaren doorgegaan. Evangeliseren, preken, bemoedigen, wakker schudden, helpen waar hij maar kon. In 1748 neemt hij een van de meest ingrijpendste beslissingen van zijn leven. Hij besluit om niet langer leiding te geven aan de methodisten en societies die in het conflict met Wesley zijn kant hadden gekozen. Want de pijnlijke situatie was dat de opwekkingsbeweging intussen verdeeld was geraakt. Maar Whitefield is vastbesloten kost wat kost verdere verdeeldheid te  voorkomen. Hij ziet geen andere weg dan niet langer leiding te geven aan zijn eigen beweging. In plaats daarvan besluit hij weloverwogen en in alle rust om een helper te worden van allen.  Omwille van de eenheid binnen de opwekking en de onderlinge liefde offert hij zijn eigen zeer succesvolle beweging op. Hij is dan 33 jaar.  Hij zou overal gaan preken waar men hem maar die ruimte gaf. En dat heeft hij de rest van zijn leven dan ook consequent gedaan. Zijn eigen mensen, de ‘Calvinist Methodists’ protesteerden hevig. Maar zijn besluit stond vast. Hij schrijft in deze tijd: ‘Laat mijn naam maar vergeten worden, laat mij vertrapt worden onder de voeten van alle mensen, als Jezus maar door mij verheerlijkt wordt. Mijn naam mag overal vergeten worden,  zelfs mijn vrienden mogen me vergeten. Het enige wat voor mij telt is dat  de zaak van mijn geliefde gezegende Heere Jezus bevorderd zal worden’.. Whitefield offert zijn eigen beweging op. Dit is een van de belangrijkste oorzaken voor het feit dat zijn naam inderdaad door velen vergeten is. Was hij  Rooms-Katholiek geweest, dan was de man volgens mij heilig verklaard’ Toen het conflict met Wesley eenmaal was bijgelegd heeft hij heel bewust ook Wesley vaak geholpen ondanks hun diepgaande theologische geschilpunten. Alle denominaties in Amerika, Engeland, Schotland, Wales en ook Ierland hebben geprofiteerd van deze man Gods: de Baptisten, de engelse Independents, de Anglicaanse kerk, de calvinistische Methodisten in Wales, de Presbyterianen en niet te vergeten de United societies van Wesley. Door de inspanningen van Whitefield ontstond de evangelische vleugel binnen de Anglicaanse kerk, een vleugel die in de loop van de 18e eeuw in Engeland geen voet aan de grond heeft kunnen krijgen. De opwekking heeft ook het fundament gelegd voor de enorme doorbraak van de zendingsbeweging in de 19e eeuw. Vermeldenswaardig is in dit verband de naam van William Carey, die als zendeling baanbrekend werk verrichtte in India.

Een nieuwtestamentisch calvinisme

Het tragische conflict met zijn vriend Wesley is al even genoemd. Henk Bakker zal dat in zijn lezing  nader uitwerken. Maar in dit verband is het wel van belang te constateren dat Whitefield theologisch helemaal in de lijn van de Reformatie staat. Zonder dat hij ooit Calvijn gelezen had was hij vanuit de Schrift zelf diep overtuigd geraakt van de uitverkiezing, predestinatie en de volharding der heiligen. Net als een eeuw later Spurgeon, de grootste evangelist uit de 19e eeuw. Dat moet ons aan het denken zetten. Deze man, die door Ryle en Martyn Lloyd-Jones de grootste evangelist na de apostel Paulus wordt genoemd, was in zijn theologie een calvinist.  Uiteraard hebben we het hier niet over een rigide hypercalvinisme waarbij een extreme nadruk op de uitverkiezing alle evangelisatie in de kiem smoort. Godsmannen als Whitefield, Spurgeon en Martyn Lloyd-Jones hadden hun calvinisme trouwens niet van Calvijn maar van de apostel Paulus. Ze haalden het rechtstreeks uit het Nieuwe Testament, net als Johannes Calvijn zelf’  We hebben het over een mild en voluit nieuwtestamentisch calvinisme dat bij al deze godsmannen juist een enorme drijfveer is geweest tot de meest succesvolle en gezegende evangelisatie uit de kerkgeschiedenis. Hoe zeldzaam is deze bijbelse gebalanceerde aanpak. Hoe snel schieten we van het ene uiterste in het andere. Van het semi-pelagiaanse ‘kiezen voor Jezus’ tot de volkomen passiviteit van ‘het moet me gegeven worden en dat is het dan’.

Voor Whitefield was het 100% Gods werk dat iemand tot bekering kwam. En het was tegelijk 100 % de verantwoordelijkheid van de mens om zich te bekeren.  En omdat voor God alle dingen mogelijk zijn zette dat geen rem op zijn evangelisatie maar juist het tegendeel. Het maakte hem tot de grootst mogelijke geloofsoptimist. Want het hangt niet van het zwakke gestuntel van de mens af of een mens gaat geloven. De gevallen mens is 100 % onbekwaam om zichzelf te redden. Neen geloof is een gave van God en volkomen het werk van God Zelf.  En daarom een gegarandeerd succes. De Zoon van God is niet gekomen voor een armetierig klein groepje uitverkorenen maar voor een schare die niemand tellen kan. George Whitefield zag het voor zijn ogen gebeuren. Een leven lang.

Wat zou Whitefield doen?

Wat zou Whitefield in onze tijd doen? Ik ben geen profeet, maar laat ik een poging wagen’ Hij zou ditzelfde radicale evangelie preken. Hij zou fulmineren tegen het morele verval in onze decadente maatschappij waar prostitutie is gelegaliseerd en in de media ‘seksindustrie’ wordt genoemd. Hij zou tijd nodig hebben gehad om bij te komen van zijn verbazing dat bijbelgetrouwe kerken in ons land nauwelijks hun stem verheffen tegen de legalisering van dit kwaad. Hij zou fulmineren tegen seksueel misbruik van kinderen en incest. Hij zou in niet mis te verstane bewoordingen het oordeel van God aanzeggen over zoveel onreinheid, onrecht en misbruik. Hij zou het materialisme onder kerkmensen de wacht aanzeggen. Hij zou de christenen oproepen tot werkelijke radicale levensheiliging. Wie zegt: ik ken Hem en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in dien is de waarheid niet; maar wie zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zo te wandelen als Hij gewandeld heeft ( 1 Joh. 2:4-6). Whitefield moest niets hebben van een halfhartig christenleven, van het eten van twee walletjes. Geloof moet blijken in daden van compassie en leven volgens het Nieuwe Testament.

Whitefield zou zich inspannen om vrouwen en kinderen te bereiken die als koopwaar verhandeld worden voor deze ‘seksindustrie’. De moderne slaven van de 21e eeuw. Hij zou ten strijde trekken tegen de stortvloed aan erotiek, immoraliteit en geweld die de media dag in dag uit over ons en onze kinderen uitbraken. Hij zou niet in zijn kerkelijke schulp wegkruipen, maar op strategische en effectieve wijze de confrontatie met de Islam aangaan. Hij zou de grote aantallen moslims in Engeland zien als een historische kans om onder deze mensen het Evangelie bekend te maken. Hij zou houden van de moslims, en gaan preken onder hen vooral in de achterstandswijken. Hij zou zich ontfermen over niet erkende asielzoekers die hier niet mogen blijven en in eigen land niet meer welkom zijn. Hij zou ons christenen uit onze moedeloze apathie wakker schudden. Hij zou zich ontfermen over veel ouderen die in onze maatschappij eenzaam dreigen weg te kwijnen. Hij zou het onvervalste nieuwtestamentische evangelie opnieuw onder de mottenballen vandaan halen. Hij zou ons de diepe overtuiging teruggeven dat het Evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd het mooiste is dat op deze aarde bestaat. Hij zou ons weer leren wat bidden en ook vasten is. We zouden weer moed vatten en vol vertrouwen, in liefde en bewogenheid en met geestelijke autoriteit aan het evangeliseren gaan. Hij zou iedere kerk en richting steunen die in oprechtheid het Evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd verkondigt aan deze generatie. Hij zou ons waarschuwen tegen zondige verdeeldheid. Hij zou ons laten zien dat dit Evangelie nog steeds en onveranderlijk een kracht Gods is tot behoud voor een ieder die gelooft. Whitefield is niet meer onder ons. Maar de God van Whitefield wel. Je kunt je door zo’n imponerend voorbeeld als Whitefield gemakkelijk laten ontmoedigen. Dat is uiteraard de bedoeling niet. Begin gewoon ergens, wees getrouw in het kleine en God zal je zo stap voor stap leiden. Ga de weg van geloof en gehoorzaamheid en God zal je weg bereiden.Wat mag God van u in deze tijd doen met u, met uw geloof?


Eindnoten

1. De term ‘kiezen voor Jezus’  wordt nergens in het Nieuwe Testament gebruikt. In plaats daarvan gebruikt het N.T. bewoordingen als ‘Jezus aannemen’  (Joh. 1:12) en ‘zich bekeren, bekering / metanoia’. In de context van onze moderne tijd suggereert het gebruik van het woord ‘kiezen’ dat wij uiteindelijk zelf de sleutel tot onze bekering in handen zouden hebben.  Het is een term die connotaties van winkelen in de supermarkt en stemmen in de moderne democratie met  zich  draagt:  de consument maakt zijn keuze uit de zeer overvloedige schappen en de kiezer mag minimaal een maal per vier jaar op de favoriete partij stemmen. Maar het is zeer de vraag of het begrip  ‘kiezen’ dezelfde  lading dekt als de bijbelse begrippen ‘aannemen’ en ‘je bekeren’. Opmerkelijk is dat het gebruik van het woord ‘bekering’ in veel evangelische kringen is weggedrongen door de populaire slogan ‘kiezen voor Jezus’. Deze verschuiving is naar ik vrees minder onschuldig dan ze voor de evangelische waarnemer op het eerste gezicht lijkt. Het zwaartepunt dreigt ongemerkt  te verschuiven van de rijke soevereine en radicaal bevrijdende genade van God naar het schimmige rijk van de menselijke goede voornemens. Daar valt echter niet zo veel van te verwachten (Jer. 17:9).  De glorie van het Evangelie is juist dat God voor óns kiest, onafhankelijk van onze eigen (goede) voornemens en prestaties of welke eigen verdienste dan ook (Ef. 1:4, Titus 1:1, 1 Petr. 1:1). En juist daarom is er in die uitnodiging van God hoop voor iedereen die maar komen wil, hoe zwak, schuldig, zondig ook. Zoals gezegd komt de term ‘kiezen voor Jezus in verband met de oproep tot bekering niet één maal in het N.T. voor. Men beroept zich voor het gebruik ervan dan ook noodgedwongen op het O.T.  en wel op Jozua 24 vers 5:  ‘kiest dan heden wie gij dienen zult’. Mijns inziens onterecht. Wie dit gedeelte nauwkeurig leest zal namelijk moeten erkennen dat Jozua het weifelende  volk hier de bizarre keuze voorhoudt tussen twee verschillende groepen afgoden. En vervolgens spreekt hij dan de gevleugelde woorden: ‘Maar ik en mijn huis, wij zullen de Heere dienen’. Alsof hij zeggen wil: ‘Er valt helemaal niet te kiezen tussen twee alternatieven. Deze afgoden die jullie nog in je hart meedragen zijn een fictie, een valstrik die niets inhoudt, niets te bieden heeft en nergens toe leidt. Er is maar één optie: de Heere dienen’.  Er zijn twee dingen die zelfs de moderne mondige mens niet zelf kan doen: geboren worden en begraven worden. Voor je wedergeboorte kun je niet kiezen. Die bewerkt God door de Heilige Geest. Tegelijk lezen we in het N.T. dat we ons moeten bekeren. Het is God die het  willen en werken in ons werkt (Filipp. 2:13). De term ‘kiezen voor Jezus’ doet mijns inziens onvoldoende recht aan deze bijbelse gegevens en dreigt het bijbelse begrip bekering uit te hollen en te versmallen tot een (menselijk) goed voornemen.

Bibliografie

  1. Arnold A. Dallimore, GEORGE WHITEFIELD, The life and times of the great evangelist of the 18e century revival, Volume 1 and 2, Edinburgh: The Banner of Truth Trust,  1970 (vol. 1), 1980 (vol.2)
  2. George Whitefield Sermons, Vol. 1-3, Pietan Publications, 1991, Thayer Road, New Ipswich, New Hampshire
  3. George Whitefield’s Journals,  Edinburgh: The Banner of Truth Trust, 1960
  4. Select  Sermons of George Whitefield, with an account of his life by J.C. Ryle, Edinburgh: The Banner of Truth Trust, 1958
  5. D.M. Lloyd-Jones, The puritans, their origins and successors, Edinburgh: The Banner of Truth Trust, 1987
  6. George Whitefield’s Letters, Edinburgh: The Banner of Truth Trust, 1976
  7. Dr. L. Praamsma, De kerk van alle tijden, deel 3, Franeker: Uitgeverij T. Wever, 1980
  8. Arnold A. Dallimore, George Whitefield, Evangelist of the 18th-century revival , London: The Wakeman Trust,  1990
  9. John Pollock, George Whitefield, Oxford: Lion Publishing,  1972